Column

Mijn ziel doet pijn, zei mijn moeder

De laatste jaren voor haar dood werd mijn moeder steeds zwijgzamer, tot ze bijna niets meer zei. De dingen die ze wel zei, kan ik nog altijd dromen. Waar ben ik? Weet jij hoe ik hier gekomen ben? Moet ik nog wat vandaag? Was ik maar niet zo treurig. Mijn ziel doet pijn. Ik heb paniek. Bij dat laatste fladderde ze met haar handen, alsof ze zo de angst uit haar vingers kon slaan.

Toch was ze in haar dementie minder somber dan in de jaren daarvoor, toen ze maar bleef herhalen dat dit geen leven was en dat ze hier niet meer wilde zijn. Ik was er zo aan gewend dat ik me eigenlijk zelden meer afvroeg waarom ze zo was en wanneer het was begonnen. Soms vroeg ik het nog wel eens aan haar, maar ze gaf nooit antwoord. Hooguit zei ze: „Mijn moeder.”

„Wat was er met uw moeder?”

„Ze was niet aardig voor me.”

Lang zocht ik de oorzaak in de geboorte van mijn jongste zusje, op haar eenenveertigste, haar zesde kind. Daarna was het zwijgen begonnen. Of ik zocht de oorzaak in het beklemmende geloof waarin ze was grootgebracht. Of in de te kleine huizen waarin we woonden, met te veel kinderen, sommige erg druk en dwars. Wat haar zeker geen goed heeft gedaan: het ontslag na haar huwelijk. Ze werkte bij Shell, ze was assistente van de bedrijfsarts. Op foto’s uit die tijd – op het sportveld, met collega’s – lacht ze altijd. Nog zo’n zin van haar die ik kan dromen: bij Shell was ik iemand, daarna was ik niemand.

Na het opruimen van mijn moeders kamer, anderhalf jaar geleden, nam ik haar werkstukken voor de opleiding tot maatschappelijk werkster mee naar huis – daar was ze op haar zestigste aan begonnen. Nooit meer naar gekeken, tot ik ze laatst in de kast zag liggen en ik erin begon te bladeren, twijfelend of ik ze zou bewaren of weggooien. Alsof de tijd werd teruggedraaid en ik plotseling even in haar hoofd kon kijken, dat gevoel kreeg ik toen ik het verslag las van haar stage bij Slachtofferhulp. Ze schreef dat ze eens zozeer overmand was door haar emoties dat ze bijna haar werk niet meer had kunnen doen. Ze begeleidde een meisje dat door de taxichauffeur die haar dagelijks naar school bracht jarenlang misbruikt was. Het had haar herinnerd aan wat een oom van haar met haar deed toen ze zelf nog een meisje was.

Verklaart het wat? Geen idee. Maar ze zal de enige niet zijn geweest die zoiets haar hele leven met zich heeft meegedragen. En dan de nuchterheid van de zinnen daarna: „Toch heb ik dit meisje goed kunnen begeleiden toen ze aangifte deed bij de zedenpolitie en ze moest wachten op de beslissing van officier van justitie. Helaas werd deze zaak, bij gebrek aan bewijs, geseponeerd.”

Jannetje Koelewijn (j.koelewijn@nrc.nl) vervangt deze week Jutta Chorus.