Column

Lente

Ineens voelde het als lente, ik werd er vrolijk en uitbundig van. „Voel dan, lekker weer!”, zei ik tegen de oudste terwijl ik haar in het kinderzitje knevelde. Op weg naar de kinderopvang zongen we keihard haar lievelingslied en daarna telden we alle dieren die we tegenkwamen.

Een praatje met een andere vader die zijn zoontje uit een jasje hielp, hij werkt in de bouw.

Hij zei: „De vorst zit nog gewoon in de grond, dat is wel kut hoor.”

Weer thuis zette ik keihard muziek aan, de laatste cd van Janne Schra.

Ik keek naar buiten.

Hé, daar was de bevriende fotograaf al die me zou komen ophalen, die zou toch pas over een half uur komen?

Ik raar doen, want zo’n bui had ik en we kennen elkaar goed.

Tegen het raam kloppen, middelvinger opsteken, beetje springen, gekke bekken trekken, nou zo dus.

Hij stak ook zijn middelvinger op.

Ik stak mijn tong uit.

Hij gaf me nog een keer de middelvinger, heel nadrukkelijk, een beetje te nadrukkelijk: hij gebruikte de hele arm.

Ik naar de voordeur om heel hard te roepen dat we nog tijd hadden om koffie te drinken.

„Hé gek, er is koffie!”

Toen pas zag ik dat het iemand anders was, een buurtbewoner dacht ik, waarschijnlijk de man die we vanuit de badkamer ’s morgens altijd op zijn hometrainer zien zitten. Erg goed zag ik het niet. Hij tikte met zijn vinger tegen zijn hoofd, draaide zich al om en banjerde weg. Ik was op sokken, anders had ik hem wel achtervolgd om het uit te leggen.

De rest van de dag verliep vlot, de bevriende fotograaf haalde me op, we gingen naar IJmuiden en hij bracht me daarna ook weer thuis. De vriendin had ook een goede dag, ze kwam tenminste vrolijk thuis.

Ze zei: „Ik heb indruk dat we hier steeds meer wortelen in het dorp.”

Zat die man opeens weer in mijn hoofd.

Voor ik de dochter ging ophalen van de kinderopvang eerst maar langs het huis waarvan ik dacht dat hij er woonde.

Zijn vrouw deed open.

Haar man zat in bad, ze kon een boodschap doorgeven. Ik zei dat ik die ochtend mijn bril niet op had, dat er daarom sprake was van een jammerlijke persoonsverwisseling, dat ik een middelvinger had opgestoken, maar dat die natuurlijk niet voor haar man bedoeld was. Ze ging het hem meteen zeggen, zei ze alsof ze het de gewoonste zaak van de wereld vond.

„Hij was het niet”, zei ze toen ze er weer stond.

Ze wees naar een ander huis.

„Ik zou het even bij die mensen proberen.”

Marcel van Roosmalen heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.