Opinie

    • Joyce Roodnat

Koekjes van vergeten deeg

Column Joyce Roodnat

Actrice Olivia de Havilland is 101 jaar oud. Ze leidt, zoals dat heet, een teruggetrokken bestaan. Maar laatst liet ze weer van zich horen. In het Stedelijk Museum Schiedam is werk te zien van nul-kunstenaar Jan Henderikse. Koekjes van vergeten deeg smaken goed.

Detail van assemblage van Jan Henderikse. foto erik van Zuylen

Actrice Olivia de Havilland is 101. Ze speelde in Gone with the Wind, wat in 1939 was. Inmiddels leidt ze, zoals dat heet, een teruggetrokken bestaan, in een hotel in Parijs. En toen even niet. Ze spande een proces aan tegen de makers van de serie Feud: Bette and Joan. Die gaat over een legendarische ruzie tussen haar collega’s Bette Davis en Joan Crawford op de set van de psychologische horrorfilm Whatever Happenend to Baby Jane. De Havilland komt er ook in voor, en wel als een vulgaire roddelaarster. En daarmee, vindt ze, wordt haar „zorgvuldig opgebouwde” goede reputatie onderuit gehaald. En dat pikt ze niet. Op 20 maart dient de zaak, die De Havilland vermoedelijk zal verliezen. Artistieke vrijheid is een groot goed, vind ik ook. Maar ik vind het ook prachtig dat dit stuk levende filmgeschiedenis iets van zich laat horen. Zij speelde nog met Errol Flynn! Dit is een tijdreis naar de Golden Age of Hollywood, dankzij Olivia die een koekje van vergeten deeg presenteert.

Koekjes van vergeten deeg smaken goed.

Ik verwacht ze niet in het Stedelijk Museum Schiedam, maar daar zijn ze, wat heet, ze zijn er in overvloed op de tentoonstelling van Jan Henderikse. Ik kende zijn naam, niet veel meer. Hij hoorde bij de zogeheten nul-kunstenaars uit de jaren zestig. Ik ging kijken omdat ik hem op de radio hoorde. Uw werk doet denken aan Andy Warhol, zei de verslaggever. Jan Henderikse wuifde dat weg. Andy Warhol, nee zeg, die zei hem niets. Die was politiek. Hij helemaal niet. Hij vond gewoon mooie dingen en daar maakte hij iets mee.

Ik ga kijken. Dit is nu eens geen minimale nulkunst, geen wit schilderij of een draad of zo. Dit is ravissante nulkunst. Jan Henderikse, een man met een kop als een kurk, zou je een hoarder kunnen noemen. Hij neemt mee wat een ander weggooide, en maakt er kunst van. Grote ritmische assemblages, jazzy en onweerstaanbaar spoelen ze me tegemoet van de wanden van het museum. Bij hem wordt bekend onbekend en dan wordt het ineens weer heel bekend. Ik bedoel dit. Wat hij toont oogt abstract, een joelend geheel van kleur en vorm en letters. En dan wordt het concreet. Zo concreet als een Zwitsaldoosje van vijftig jaar terug. Een scheermesje. Een postzegel van een gulden. Een beeldje met een half pootje.

Mijn oog doet wat het doet. Dat zoomt in en ik denk, o ja, zo was dat toen. Dat plastic gitaartje met de Beatles erop, dat ken ik. Dat poppenschoentje ook. En die pilstrip ook.

Voor Jan Henderikse waren alle dingen die hij vond, meenam en in zijn werkt stopte, gewoon. Wie het toen bekeek, zag een driedubbeldoorgedraaide versie van zijn eigen wereld. De kijker van nu ziet verleidelijke archeologie.

    • Joyce Roodnat