Opinie

Vrouwen aan de top is een kwestie van zelf het voorbeeld geven

Gelijkheid tussen mannen en vrouwen is nog steeds geen gegeven. Dat schreef eurocommissaris Vera Jourava (Gender Gelijkheid) een jaar geleden in haar voorwoord bij het rapport van de Europese Commissie over dit thema. En deze week levert Nederland weer een treurige illustratie van die vaststelling: waar het gaat om gelijkheid van vrouwen en mannen in topposities in het bedrijfsleven is nauwelijks vooruitgang geboekt. De commissie Monitoring Streefcijfer meldt dat het aantal vrouwen in raden van bestuur met 3 procentpunt is toegenomen (tot 10,7 procent). In raden van commissarissen gaat het om een groei van 5 procentpunt (naar 15 procent).

In Europa loopt Nederland daarmee nog altijd achter bij landen als Frankrijk, Zweden, Italië of Finland. Dat is niet alleen onrechtmatig, omdat het indruist tegen het beginsel van gelijkheid der seksen. Maar het is ook economisch onverstandig omdat een samenleving die vrouwen achterstelt, aanwezig talent onbenut laat. Dat kunnen we ons gewoon niet permitteren.

De voorzitter van de Commissie Monitoring, Caroline Princen, concludeerde dat „de tijd van motiveren, stimuleren en maar hopen dat het goed komt nu voorbij is”. De commissie beveelt aan dat het wettelijk streefcijfer van 30 procent vrouwen in topfuncties door het instellen van een quotum moet worden bereikt. En ofschoon die stellingname te begrijpen is, is het zeer de vraag of een dergelijke cultuurverandering van bovenaf moet worden opgelegd.

In grote bedrijven, met name in de banksector, heerst vaak gewoon nog het old boys network. Hoe dat functioneert ondervond Olga Zoutendijk, de eerste vrouw die het – zij het kort – tot president-commissaris bracht bij ABN AMRO. In januari werd duidelijk dat anonieme mannen in de leiding van de bank problemen hadden met haar „manier van leidinggeven”. Exit Zoutendijk. Tegen dit soort mannelijk wangedrag helpen geen wettelijke quota.

De gesignaleerde problemen zijn bovendien niet beperkt tot het bedrijfsleven. Ook aan universiteiten, waar er altijd wel redenen zijn om hoogleraarsposten eerder aan mannen dan aan vrouwen te gunnen, speelt dit. Of in de landspolitiek. Een schrijnend voorbeeld was de installatie woensdag van de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken: de VVD’er Stef Blok. Die nota bene, maar geheel terzijde, zichzelf in een interview superieur achtte aan die „irrationele” vrouwen. Premier Mark Rutte (VVD) slaat hier een modderfiguur. Bij de presentatie van de nieuwe ministersploeg, vorig jaar oktober, gaf hij schijnbaar schuldbewust toe dat maar een van de zes VVD-ministers een vrouw is. En dat dat te weinig is. Nu hij een tweede kans kreeg, kwam hij gek genoeg weer uit bij een man als beste kandidaat. Wie denkt Rutte eigenlijk dat hij hiermee voor de gek kan houden?

De voor gelijke behandeling verantwoordelijke minister Ingrid van Engelshoven (Emancipatie, D66) noemde de uitkomsten van de rapportage van de Commissie Monitoring Streefcijfer „om te huilen”. En dat zijn ze. Het is wel terecht dat de minister niet meteen het advies overneemt om over te gaan tot het instellen van quota. Maar zij en alle andere bewindspersonen en politieke leiders van de regeringscoalitie zijn medeverantwoordelijk voor de keuze die Rutte maakte op Buitenlandse Zaken.

Een kabinet kan ook leiding geven aan een cultuuromslag door zelf het goede voorbeeld te geven. Hier is een kans gemist.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.