Recensie

‘High society’ zorgt voor fraaie staaltjes gezinshereniging

Tentoonstelling Het Rijksmuseum brengt op de expositie ‘High Society’ 39 manshoge portretten uit de afgelopen vier eeuwen bijeen. De restauratie van Rembrandts portretten van Marten Soolmans en Oopjen Coppit was de directe aanleiding.

Detail uit: John Singer Sargent, Dr Samuel-Jean Pozzi, 1881. Olieverf op doek, 201,6 x 102,2 cm. Foto Collectie Hammer Museum, Los Angeles

Negenendertig schilderijen, dat klinkt als een kleine tentoonstelling. Maar het Rijksmuseum heeft nu voor negenendertig schilderijen vijf grote zalen in gebruik, en dat heeft alles te maken met hun formaat. Op de woensdagavond geopende tentoonstelling High Society hangen alleen levensgrote portretten van staande figuren ten voeten uit. Eeuwenlang maakten zowel opdrachtgevers als schilders indruk met zo’n portret: de geportretteerden omdat ze er op het doek machtig en welgesteld bij stonden, in harnas, bontmantel of satijnen jurk; de schilders omdat een portret ten helen lijve een soort meesterproef was. Bijna alle grote portrettisten waagden zich er wel een keer aan.

High Society is een voortreffelijk overzicht van het subgenre door vier eeuwen heen, aan de hand van bruiklenen uit de hele wereld. Het begint met twee huwelijksportretten van Lucas Cranach de Oudere uit 1514, waarschijnlijk de oudste levensgrote pendantportretten van een man en een vrouw. Ze hangen tegenover een mansportret door Moretto da Brescia uit 1526, het vroegste op zichzelf staande voorbeeld van een portret ten voeten uit. In de eerste zaal hangt ook een staatsieportret van keizer Karel V, in kleding als een opgepompt luchtkussen en in gezelschap van een jachthond.

Paolo Veronese, Gravin Livia da Porto Thiene en haar dochter Deidamia, ca. 1552. Olieverf op doek, 208,4 x 121 cm. Foto Walters Art Museum, Baltimore

Zo zijn er in elke zaal sterke ensembles. Giovanni Battista Moroni (1520-1578), schilder van mensen met wie na 450 jaar nog steeds te praten valt, is vertegenwoordigd met twee majestueuze tegenhangers. Pal daarnaast hangen Paolo Veroneses pendantportretten van graaf Iseppo da Porto met zijn zoontje en gravin Livia da Porto Thiene met haar dochter (ca. 1552), normaal gesproken in respectievelijk Florence en Baltimore, nu samen in Amsterdam. Mooi staaltje gezinshereniging.

De zeventiende eeuw brengt Rembrandts huwelijksportretten van Marten Soolmans en Oopjen Coppit, in 2016 door het Rijksmuseum en het Louvre samen verworven en in het afgelopen jaar grondig gerestaureerd: dat was voor het Rijks de directe aanleiding om deze tentoonstelling te organiseren. Ze worden geflankeerd door mansportretten van Frans Hals (links, uit München) en Diego Velázquez (rechts, uit Fort Worth, Texas), twee grootmeesters in het levendig weergeven van zwarte kleding – en ja, het schoongemaakte zwart bij Rembrandt is dieper en glanzender, ook doordat de witte kragen en mouwen ernaast in de was zijn geweest. Maar de mannen van Hals en Velázquez zijn markantere mensen, die soepeler en zelfverzekerder poseren.

Schotse kolonel

In de achttiende eeuw doet Joshua Reynolds in zijn portret van een Polynesische jongeman met stoffen in gradaties wit wat Hals en Velázquez eerder met gradaties zwart deden. Van Reynolds’ concurrent Thomas Gainsborough is er een gravin met weelderige kanten ruches aan haar polsen – het lijken wel kwallen onder water. Tussen de twee in hangt een Schotse kolonel die is gekleed in een waar stilleven van geruite draperieën.

John Singer Sargent, Dr Samuel-Jean Pozzi, 1881. Olieverf op doek, 201,6 x 102,2 cm. Hammer Museum, Los Angeles.

Weer een zaal en een tijdperk later komen de societyschilders Emile Carolus-Durant en Giovanni Boldini terug op de zwarte stoffen van de zeventiende-eeuwers en kijkt Edouard Manet voor een sober, los geschilderd portret van de schilder Marcellin Desboutin duidelijk de kunst af bij Velázquez. De modernste portretten zijn van Munch en Van Dongen: rond de Eerste Wereldoorlog kwam er, aldus Jonathan Bikker in de catalogus, ‘een abrupt einde aan de glorietijd van het portret ten voeten uit, en het zou die slag nooit meer te boven komen. [...] Op enkele opmerkelijke uitzonderingen na, onder wie Kees van Dongen, vonden naoorlogse schilders het genre conservatief, ouderwets en commercieel.’

Het overzicht maakt duidelijk hoe het levensgrote portret zich in de loop der eeuwen ontwikkelde, hoe portretschilders zich door voorgangers en tijdgenoten lieten inspireren en hoe modes in representatie, kleren en schilderstijlen elkaar opvolgden. Ook blijkt zaal na zaal wat er moeilijk of leuk (of allebei) is aan het schilderen van een staande figuur op groot formaat. Niet alleen moeten kop en schouders kloppen en lijken, je hebt als schilder ook te maken met rompen, armen, handen, heupen, benen en voeten. Het lijf moet over de volle lengte interessant blijven om naar te kijken, van veraf en van dichtbij. Dat losten kunstenaars op met levendige houdingen, attributen als stokken, zwaarden en waaiers, trouwe viervoeters rond de benen, gedetailleerde kleding in afwisselende stoffen, handen die die kleding dichthouden of optillen. In opvallend veel van de portretten is de ene hand bezig de andere een handschoen aan of uit te trekken.

Los van al deze tweedimensionale kwesties is er nog een puur lijfelijke. Want een levensgroot mens is zo groot als de schilder zelf. Dat is nogal wat om te hanteren. Het gezicht is altijd min of meer op ooghoogte weergegeven, knieën en voeten altijd schuin van bovenaf. Daartussenin verschuift dus het perspectief. In het schilderij moet dat lichaam toch één samenhangend, logisch geheel worden, dat op afstand stevig oogt en dat ook overtuigt als het – zoals de portretten op de tentoonstelling – ongeveer een halve meter boven de plint hangt.

Alle figuren op de tentoonstelling kijken op ons neer en lijken daardoor wat groter dan wijzelf. Terwijl: ze zijn levensgroot! Kijk maar naar de andere museumbezoekers, naar de mensen die naar al die staande mensen staan te kijken. De naoorlogse avant-gardisten hadden ongelijk: goede portretten raken nooit echt gedateerd. Luchtkussenkleren en bepaalde haardrachten wel. Schilderstijlen veranderen ook. Maar levensgroot geschilderde mensen blijven echte mensen altijd heel direct aanspreken. Je verhoudt je fysiek tot ze, net als hun portrettist indertijd. Je gaat ze vergelijken met de mensen om je heen en je vraagt je ineens ook af: hoe sta ik er zelf eigenlijk bij? Waar laat ik mijn handen? De recensent heeft gelukkig een pen als attribuut, en een notitieboekje, waarin hij alvast de slotzin voor zijn stukje noteert.

    • Gijsbert van der Wal