Foto Jody Rogac

David Byrne verzamelt hoop en optimisme

David Byrne

Thuis in zijn rommelkamer begon de voormalig zanger van Talking Heads aan ‘American Utopia’, een album dat lijnen samenbrengt uit zijn rijke muziekverleden. „Een mooi liedje wordt in onze cultuur al snel oppervlakkig en sentimenteel gevonden.”

Kan een popsong iemands leven veranderen? David Byrne denkt van niet, ook al drukte hij als zanger van Talking Heads en als solist een belangrijk stempel op de populaire cultuur van de laatste veertig jaar. Een muzikant zou meer moeten doen dan alleen liedjes zingen, vindt hij, zeker nu de toestand in de wereld het niet meer toelaat om fluitend langs de zijlijn te blijven staan. „Twee jaar geleden bedacht ik me dat alle boosheid, al het cynisme en alle frustratie die ik voelde niet constructief waren. Ik had therapie nodig.”

Byrne zocht het in zelfhulp. Hij verzamelde objecten, gebeurtenissen en ontwikkelingen die hem hoop gaven en inspireerden tot optimisme. Hij begon een serie lezingen met fotoprojecties onder de noemer Reasons To Be Cheerful, naar het gelijknamige nummer van collega-songwriter uit het newwavetijdperk Ian Dury. Eind januari bracht hij zijn ontwapenende, losjes aan elkaar hangende presentatie in De Balie in Amsterdam. Hij vertelde over kleine en grote dingen die hem gelukkig maken, zoals de nieuwe busbaan in Bogota waarmee het verkeersinfarct in de Colombiaanse hoofdstad kan worden omzeild. En over de spelshow die hij zag in Afrika, waarbij de uitdaging eruit bestaat dat deelnemers zich van hun meest corrupte kant laten zien.

„Heel leerzaam”, grinnikt hij een dag later in de Amsterdamse hotelsuite waar hij zijn nieuwe solo-album American Utopia van toelichting voorziet. „In veel Afrikaanse landen zijn de mensen zo veel gewend van hun leiders en dictators dat corruptie geen geheimen voor ze kent. Pas wanneer de symptomen benoemd worden in een populaire tv-show kun je de problemen aanpakken.”

Lees ook de recensie van ‘American Utopia’: Albumoverzicht: de zonen van Fela Kuti en een optimistische David Byrne

De oververhitte politieke tegenstellingen in de VS interesseren hem minder dan kleine lichtpuntjes op economisch, ecologisch en intermenselijk gebied, zegt de in Schotland geboren, tot Amerikaan genaturaliseerde Byrne (65). „Over windmolens als energiebron en de fiets als efficiënt en milieuvriendelijk vervoermiddel hoef ik jullie hier in Nederland niets te vertellen. In andere landen is het heel bijzonder als er in een grote stad een doeltreffend plan voor veilige fietsbanen wordt gerealiseerd. Ik wil het hebben over zaken die economisch succesvol zijn en waarin mensen een gezamenlijk doel kunnen vinden. Een betere wereld begint bij onszelf.”

David Byrne: „In mijn muziek blijf ik zoeken naar redenen voor optimisme.”. foto Jody Rogac

Punkrocker

Bij zijn verleden met Talking Heads staat hij niet vaak meer stil. In Amsterdam had hij een flashback van de tournee in het voorprogramma van de Ramones die hem in 1977 voor het eerst naar Europa bracht, in het praktisch naast De Balie gelegen Paradiso. „Een punkrocker heb ik me nooit gevoeld, hoewel we veel in [het New Yorkse punkmekka] CBGB’s speelden. De combinatie met de Ramones was interessant, juist omdat we zo verschillend waren. Het is onthutsend om te bedenken dat de vier jonge mannen die de Ramones toen waren, nu allemaal dood zijn. Misschien heeft het iets te maken met het feit dat ze op tournee alleen maar hamburgers aten. Iets anders lustten ze niet.”

Het idee om jarenlang met dezelfde vier personen in een band te zitten begon hem al snel te benauwen. Bij Talking Heads experimenteerde David Byrne met de mogelijkheden van expansie. Het groepsgeluid werd breder, de bezetting werd uitgebreid met gastmuzikanten en het expres te grote kostuum in de film Stop Making Sense symboliseerde de schaalvergroting waarmee hij als zanger van een succesvolle rockband te maken kreeg. Het toelaten van Afrikaanse en Zuid-Amerikaanse invloeden in zijn muziek hebben hem bevrijd als muzikant, zegt hij over de ontwikkelingen die hij meebracht naar zijn latere solowerk. „Latinmuziek heeft een melancholieke kwaliteit in tekst en melodie die volledig in balans is met de vreugde die in het ritme besloten ligt. Het is de volmaakte reflectie van het leven zelf, met alle droeve en vrolijke aspecten. In de begintijd van Talking Heads leefde ik in de veronderstelling dat je in een popsong alleen een eloquent punt kon maken als de muziek lelijk was, wringend en intens als het staccato van ‘Psycho Killer’. Een mooi liedje wordt in onze cultuur al snel oppervlakkig en sentimenteel gevonden. Van Afrikaanse en Braziliaanse muziek leerde ik dat diepgevoelde emoties samen kunnen gaan met de schoonheid van een simpele melodie en een pakkend ritme.”

Al in zijn Talking Heads-tijd maakte hij het grensverleggende duo-album My Life In The Bush Of Ghosts met Brian Eno, samengesteld uit samples en opnamen van kortegolfradio. In 1981 was het een vroeg voorbeeld van zogenaamde plunderphonics met ‘gevonden’ bronmateriaal. David Byrnes solocarrière begon met Rei Momo uit 1989. Het album werd gekenmerkt door de invloed van Afro-Cubaanse muziek en stijlen als merengue, samba, cumbia en charanga. In de tussenliggende jaren bleef Byrne zijn horizon verbreden, onder meer door samenwerking met St. Vincent (Love This Giant, 2012) en de rockmusical Here Lies Love over het leven van Imelda Marcos. In zijn boek How Music Works (2012) beschrijft hij omstandig hoe de opnamepraktijk van popmuzikanten in de laatste dertig jaar veranderde, van werken met producers in de studio tot zelfredzaamheid met een laptop die vaak al genoeg mogelijkheden biedt om een semi-professionele opname te maken.

Rommelig kamertje

Het album American Utopia werd grotendeels voorbereid en opgenomen op een plek die in de credits ‘DB Spare Bedroom’ wordt genoemd: „Een lekker rommelig kamertje in mijn huis waar ik me op mijn gemak voel en waar het creatieve proces begint, van nummers schrijven tot de ruwe opnamen die in veel gevallen de basis van de albumversies vormen. Het grote voordeel is dat er niemand over mijn schouder meekijkt die meteen iets goeds verwacht. Het geeft me de mogelijkheid om te falen. Als iets niet goed genoeg uitpakt, gooi ik het weg en begin ik opnieuw. In een dure opnamestudio ben je gauw geneigd om genoegen te nemen met compromissen, als het even niet lukt. Om die reden is er veel muziek uit mijn verleden waar ik nu niet meer naar kan luisteren.”

Op American Utopia komen veel lijnen samen, van hernieuwde samenwerking met Eno in ‘Everybody’s Coming To My House’ tot typisch byrniaanse, op nerveuze toon vertolkte zanglijnen als ‘The truth don’t mean nothing / if you ain’t got the cash’ (uit ‘I Dance Like This’). David Byrne stelt met klem dat de albumtitel niet ironisch bedoeld is. „De Verenigde Staten van Amerika werden ooit samengebracht als een utopisch experiment. Kunnen mensen van verschillende oorsprong en pluimage met elkaar samenleven, kunnen ze een democratisch systeem handhaven waarin iedereen het idee heeft dat zijn stem gehoord wordt? Er is veel voor te zeggen dat het experiment op een gruwelijke manier mislukt is, maar ik vind dat het voltooiing verdient. Er zijn nog altijd kleine initiatieven die wijzen naar een betere samenleving, meer onderlinge verdraagzaamheid en een eerlijker verdeling van middelen. De huidige president [Byrne noemt nadrukkelijk geen naam, red.] zit er niet voor eeuwig. In mijn muziek en mijn dagelijkse praktijk blijf ik zoeken naar redenen voor optimisme.”

Voor zijn komende tournee met veel festivaloptredens belooft Byrne een groots opgezette productie, die raakvlakken heeft met de ambitieuze opzet van de Stop Making Sense-tour. „Er zullen nummers van Talking Heads gespeeld worden, al zijn het niet alleen de meest voor de hand liggende. Mijn muzikanten en ik zullen ons onderwerpen aan een strakke choreografie. Ik ben allang niet meer de zanger van een rockgroep die midvoor op het podium aan zijn microfoon gekluisterd staat. De muziek dwingt me om te bewegen.”

    • Jan Vollaard