opinie

    • Louise Fresco

Bij nobele intentie geldt noblesse oblige

De ophef over seksueel misbruik door medewerkers van Oxfam in Haïti heeft geleid tot verontwaardiging, verlies aan donateurs en de onthulling van andere eerbiedwaardige organisaties zoals het Rode Kruis dat ook bij hen misstanden plaatsvonden. Blijkbaar kan in extreme situaties machtsmisbruik makkelijker ongemerkt of ongestraft blijven. Of ontkend, want vorige week bleek dat Buitenlandse Zaken en, neem ik aan, ook de Nederlandse directie van Oxfam al in 2012 op de hoogte was van wangedrag in Haïti.

Al heel lang zijn er berichten over werknemers in VN-vredesmissies en de vluchtelingenorganisatie UNHCR die zich bezondigen aan verkrachting en uitbuiting. Niet de onthulling van misbruik moet ons verbazen, maar het late tijdstip ervan en het tot nu toe uitblijven van serieuze verontwaardiging. Komt die onzichtbaarheid mede, zoals Koert Lindijer suggereerde, doordat in de roes van eenzaamheid en avontuur de behoefte aan seksueel contact onbedwingbaar is en dus gedoogd wordt?

Zonder twijfel leidt de #MeToo-beweging nu tot heftige reacties. Daarmee verschuift ook het debat naar wat die noodhulp, en ontwikkelingshulp, betekent. Sinds de geldzendingen van overzeese inwoners van ontwikkelingslanden verre de officiële hulpgelden overtreffen, China en andere opkomende landen op zakelijke wijze hulp bieden, is de vraag wat westerse hulp nog vermag. Die vraag is voor insiders niet nieuw. De consensus is, in theorie, dat hulp structureel moet zijn, eerlijke handel bijvoorbeeld, opbouw van een functionerende overheid en rechterlijke macht, kennisoverdracht en minder de waterputten of klinieken. Meestal wordt noodhulp buiten deze discussie gehouden, want nood moet hoe dan ook gelenigd worden. Maar ook die hulp is niet vrij van kritiek, door Paul Collier bijvoorbeeld of Linda Polman, en bereikt nu ook de media. Verwijten variëren van onzuivere neokolonialistische motieven, onbedoelde consequenties zoals de ongelijkheid tussen wie hulp krijgen en wie niet, zichzelf verrijkende experts in dure, bureaucratische hoofdkantoren die drama’s overdrijven omwille van donaties. En is hulp niet slechts een manier om de westerse impuls om ‘goed te doen’ te bevredigen?

Vernietigend is voorts de constatering dat hulporganisaties in hun naïviteit zo blind kunnen zijn dat zij uitbuiting in stand houden. Door vluchtelingen op te vangen in semi-permanente kampen worden hulpverleners een instrument van gewelddadige rebellen die uit zijn op het verdrijven van mensen en het zaaien van angst, en die hun deel van de voedselhulp verkopen. Het is een duivels dilemma.

Ondertussen wordt er denigrerend over ‘hulpindustrie’ gesproken. Maar die term doet geen recht aan het oprechte engagement en de resultaten, meetbaar in mensenlevens, die zijn geboekt. Alleen vragen juist die moreel hoogstaande bedoelingen nu om eerlijke verantwoording en radicale verandering. Niet alleen over seksueel en ander machtsmisbruik, maar ook over al die situaties waar nobele intenties hebben geleid tot dubieuze of ronduit dramatische gevolgen. Verantwoording gevolgd door internationale voorstellen voor een beter systeem van hulp, daar waar de nood het hoogst is.

Het moet veel beter. Het is onvermijdelijk dat hulpfondsen hun monopolies en onderlinge competitie opgeven. Lokale instanties moeten zo snel mogelijk de gelden beheren ten behoeve van lokale armoedebestrijding. Ik onderschat de risico’s van wanbeheer niet, maar de technologie staat aan onze kant. Systemen zoals de blockchain maken het mogelijk transacties te volgen en corruptie tegen te gaan. Nederland, met zijn traditie van generositeit, moet hier met andere grote hulporganisaties het voortouw nemen. De bureaucratische, centralistische organisaties met hoofdkwartieren in Genève of Den Haag moeten netwerken worden, verbonden met elkaar. De huidige secretaris-generaal van de Verenigde Naties, met zijn ervaring in vluchtelingenwerk, moet snel beginnen met een actieplan. Noblesse oblige.

is voorzitter van de Raad van Bestuur van Wageningen U&R en schrijfster.

Correctie (20 maart 2018): in een eerdere versie van deze column werd de naam van journaliste Linda van der Pol genoemd, dat had Linda Polman moeten zijn. Dit is aangepast.

    • Louise Fresco