Column

Uit de kist

Ellen

Mijn oudste neefje (12) kwam vrijdag uit school en plofte op mijn bank. Het was zo te zien weer eens goed mis: hangende schouders, vlak gezicht. Al een paar jaar kampt hij met zware somberte en vrijdag leek hij totaal geknakt. Ik plaatste een cavia naast hem maar het leek weinig te helpen. Ik zuchtte: ook ik bevond me in het donker. Alles ging trager, kostte extra energie.

Nu heb ik de relatieve mazzel dat ik in een vakgebied zit (het schrijverschap) waar sipte bij de takenlijst hoort. We kunnen er met elkaar over praten, maar we weten ook dat dat niet altijd zaligmakend is. Ja, met verwoorden begint verwerken, maar af en toe is je hoofd zo’n vacuüm dat je geen overzicht meer hebt. Soms is het zo donker dat de woorden gewoon niet meer komen: je kaak weegt vijf kilo, spreken is onmogelijk. En mijn neefje, die vorig jaar met zijn sombere gevoelens voor zijn klas uit de kast kwam (wij zeiden ‘uit de kist’), weet dat ook.

„Iedereen ziet dat het mis is, en gaat dan heel lief lopen doen”, zei hij, afwezig een cavia aaiend. „Veel tegen je praten, grapjes maken, snoep delen. Juist al die aandacht is zo moeilijk. Goedbedoeld, maar het maakt je soms ook helemaal stuk. Allereerst omdat je niet gelooft dat je aardigheid waard bent” (ik voelde iets knappen in mijn borst). „En natuurlijk ook omdat je dan aardig terug moet doen, omdat ze anders denken dat je helemaal terminaal bent. Terwijl je al je energie nodig hebt om, nou ja, rechtop te blijven staan.”

En dus moet je toch een beetje mooi weer blijven spelen, zelfs nadat je hebt toegegeven dat je leven geen groot feest is, en soms niet eens de puf hebt om te lachen, al was het maar uit beleefdheid.

‘IJs?”, vroeg ik. „IJs”, zei hij, en we trokken onze laarzen aan. Het vroor keihard maar we gaven er weinig om: het was buiten warm, vergeleken bij wat er zich binnen afspeelde. We liepen over krakend gras tot we bij de vijver aanbelandden. Het was al voorbij etenstijd, een laatste schaatser knoopte net zijn noren los. Heel voorzichtig stapten we op het ijs. De gladheid leidde ons af van ons hoofd en zo wiebelden we langzaam voort, naar het midden.

„Ik kan me voorstellen dat het water blij is als het vriest”, zei mijn neefje vanuit het niets. „Dan hoeft het nergens heen. Dan kan het gewoon zichzelf zijn en hoeft het niets te doen. Niet te kabbelen. Niet te stromen.”

We staarden omlaag naar het zwarte oppervlak onder ons, de opgesloten luchtbellen erin, de scheuren die als witte linten het donker hadden doorschoten.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.