Opinie

Trumps staaloorlog is onverstandig en contraproductief

Om de staalarbeiders de bescherming te bieden die ze verdienen, moet Trump de innovatie stimuleren, schrijft

Illustratie Hajo

Eind vorige week kondigde Donald Trump importheffingen van 25 procent aan op buitenlands staal. De Amerikaanse president probeert een verouderde sector een steuntje in de rug te bieden door buitenlandse concurrenten van de markt te weren. Volgens het protectionistische kamp binnen het Witte Huis is de controversiële maatregel – waar al bijna een jaar mee werd gedreigd, maar waarvan door velen werd gehoopt dat het bij retoriek zou blijven – nodig omdat de staalimport de nationale veiligheid in het geding brengt. Het kan immers niet zo zijn dat de Amerikaanse defensie afhankelijk is van buitenlands staal. In zulke uitzonderlijke omstandigheden is beroep mogelijk op een veiligheidsclausule (‘section 232’) in de Trade Expansion Act.

De huidige omstandigheden lijken echter niet te voldoen aan deze bepaling. Ten eerste moeten importen het vermogen van de binnenlandse industrie om goederen te leveren aan defensie onmogelijk maken. In casu is er geen enkel bewijs dat daarvan nu sprake is. Zo gaat maar een klein percentage – in 2015 slechts 3 procent – van de vraag naar Amerikaans staal naar nationale defensie en veiligheidsdoeleinden. Het ministerie van Defensie gaf daarom al in een vroeg stadium aan geen problemen te herkennen. Ten tweede moeten importen het economische welzijn van de binnenlandse industrie bedreigen. Ook daaraan wordt niet voldaan: er is geen sprake van een binnenlandse staalindustrie die op omvallen staat als gevolg van buitenlandse concurrentie. Sterker nog, de import van staalproducten is tussen 2014 en 2016 met 25 procent gedaald.

Lees ook de analyse: Trump geeft aanzet tot nieuwe handelsoorlog

Eén van de gevolgen die Trump hoopt te realiseren met zijn beroep op section 232 is het creëren van banen. De gedachtegang is dat het wegnemen van buitenlandse concurrentie ervoor zorgt dat de staalfabrieken weer beginnen te draaien en daarmee banen worden gerealiseerd. Dit lijkt goed nieuws, maar de gedachtegang houdt niet lang stand. De staalfabrieken zullen weliswaar wat langer open blijven door het gebrek aan competitie, maar het zorgt er tegelijkertijd voor dat de managers van de staalfabrieken geen reden hebben om de gedateerde industrie te innoveren. Hierdoor zullen de productiekosten hoog blijven en de prijzen stijgen. Dit leidt tot een verschuiving van het probleem van de ene sector naar de andere. Voor de veel grotere staalverwerkende industrieën is dit desastreus en doet deze grote groep veel meer pijn dan dat het de kleine groep staalproducenten goed doet. Hun internationale concurrentiepositie verslechtert namelijk doordat hun prijzen stijgen. Bovendien kan het binnenlandse aanbod de eigen vraag niet aan. Wellicht pijnlijk voor Trump: Making America Great Again is deels afhankelijk van buitenlands staal.

Banenverlies

Het verleden heeft ons geleerd dat een dergelijke oplossing geen duurzame is. In 2001 werd een zelfde soort maatregel getroffen en toen ging het behoorlijk mis: 200.000 Amerikanen verloren destijds hun baan door verhoogde staalprijzen, meer dan het totaal aantal mensen werkzaam in de binnenlandse staalproductie. Ook in het huidige geval is banenverlies onvermijdelijk. De Europese Unie en andere getroffen landen hebben aangegeven te komen met vergeldingsmaatregelen die verschillende sectoren in de Verenigde Staten hard zullen raken. De Amerikaanse landbouw bijvoorbeeld is enorm afhankelijk van hun export. Grote afnemers van deze export zijn ook de grote staalexporteurs naar de VS. Dit maakt de Amerikaanse landbouw een zeer geschikte kandidaat voor vergeldingsmaatregelen. Tarieven op buitenlands staal leveren dus per saldo geen banen op in de VS, maar kosten banen.

Ook het daadwerkelijke probleem, globale overcapaciteit als gevolg van oneerlijke marktpraktijken die voor een disbalans zorgen in de globale staalsector, wordt door deze maatregel niet aangepakt. Integendeel, het zorgt enkel voor een voortzetting van de wereldwijde overcapaciteit. China is hierbij the elephant in the room. Dit land produceert de helft van de totale staalproductie in de wereld en overstijgt daarmee zijn binnenlandse vraag. Het tegengaan van deze globale overcapaciteit werkt alleen door internationale samenwerking en dit is precies waar de Wereldhandelsorganisatie (WTO) voor bedoeld is. Het voorziet in de mogelijkheid tot anti-dumping maatregelen, wat al heeft geleid tot een flinke daling van Chinees staal in de VS: kwam er in 2015 nog 2,1 miljoen ton de VS binnen, een jaar later was dat 789.000 ton. Daarmee haalt China overigens maar net de toptien van grootste staalexporteurs naar de VS. De overgrote meerderheid komt uit Canada, de EU en Zuid-Korea: drie gezworen bondgenoten van de VS.

President Trump richt na de staalimport zijn pijlen op Europese auto’s. Brussel blijkt al een jaar voorbereid.

Trump zou de staalindustrie pas echt beschermen als gezorgd wordt voor meer technologische ontwikkeling in de sterk verouderde staalfabrieken. Hevige concurrentie uit het buitenland is voornamelijk het gevolg van een gebrek aan innovatie in de VS in de afgelopen decennia. Bescherming van de markt heeft de industrie de prikkel ontnomen om dit wel te doen waardoor oude technologieën in stand zijn gehouden en weinig is gedaan om te herstructureren. Het is daarom belangrijk dat staalarbeiders de vaardigheiden leren die nodig zijn om mee te kunnen draaien in de hightech staalindustrie van de toekomst. Op deze manier zullen de productiekosten dalen, blijven banen in de industrie behouden en kunnen de VS weer internationaal concurreren zonder daar protectionistische maatregelen voor te hoeven treffen met alle gevolgen van dien. Wellicht dat we dan echt kunnen gaan spreken van een America First-beleid.