CPB: Kabinet spaart te weinig

Prognose De economie blijft sterk groeien, voorspelt het Centraal Planbureau. Maar het begrotingssaldo van de overheid verbetert niet.

Dinsdag presenteerde het CPB het jaarlijkse Centraal Economisch Plan. De cijfers vormen de basis voor de begroting van het kabinet die op Prinsjesdag worden gepresenteerd. Foto Evert-Jan Daniels / ANP

De economie is „op stoom”, Nederland doet het aanzienlijk beter dan de eurozone. De werkloosheid is gedaald naar het laagste niveau sinds 2001 en door die krapper geworden arbeidsmarkt zijn ook de lonen weer aan het stijgen.

Alom goed nieuws, zo lijkt het, van het Centraal Planbureau (CPB) in het Centraal Economisch Plan, dat dinsdagochtend in concept verscheen. Dat is de vaste eerste macro-economische raming van het jaar en vormt de aftrap van het begrotingsseizoen. Later deze maand voert het kabinet het eerste interne overleg voor de Miljoenennota voor 2019. Onder deze vrolijke financieel-economische omstandigheden kan de regering tevreden zijn. Dat maakt het opstellen van de begroting voor volgend jaar toch een stuk gemakkelijker.

Toch heeft het CPB, al even traditioneel, ook het een en ander aan te merken op de stand van het land. En vooral van het landsbestuur. In een bijna persoonlijk betoog bekritiseert directeur Laura van Geest in een opinieartikel in de Volkskrant de sterke fixatie van politici en beleidsmakers op de zogeheten koopkrachtplaatjes. Dat zijn de statistische tabellen over de effecten van overheidsbeleid op de koopkracht van huishoudens die het CPB een paar keer per jaar zelf opstelt.

Die cijfers zijn volgens Van Geest nuttig en belangrijk, bijvoorbeeld voor het willen bestrijden van inkomensongelijkheid, maar de politiek kijkt er met een te vastgeroeste blik naar. Dat wekt valse verwachtingen. „Koopkrachtplaatjes geven slechts een gestileerde weergave van de werkelijkheid”, schrijft Van Geest, „die minder geschikt zijn voor vertaling naar de privéportemonnee.” Daarnaast hebben politici de neiging om koopkrachtbeleid te sturen „op precieze cijfers achter de komma”. Niemand mag erop achteruitgaan en dus bedenkt men rond Prinsjesdag en in verkiezingsprogramma’s allerlei fiscale maatregelen die niet alleen kostbaar zijn maar ook leiden tot een steeds complexer belastingstelsel.

Lees ook: CPB: politiek te veel geleid door koopkrachtplaatjes

Een tweede kritiekpunt is misschien nog wel ernstiger. Het nieuwe kabinet „voert een procyclisch begrotingsbeleid”, zei Van Geest in een toelichting tegenover journalisten. En dat terwijl verschillende instituten als het CPB, De Nederlandsche Bank en het ambtelijk advies van de Studiegroep Begrotingsruimte daar juist altijd tegen waarschuwen.

Procyclisch begrotingsbeleid – geld uitgeven als het economisch goed gaat – kan en mag best, zei Van Geest. Het zijn politici die daarvoor kiezen. Maar het heeft een riskante keerzijde. „Als het straks weer slecht gaat met de economie, zal er óók procyclisch beleid gevoerd worden. Dan wordt er weer bezuinigd.”

En harde bezuinigingen, zoals vanaf 2009 nodig waren, doen het herstel uit mindere economische periodes geen goed. Het advies aan de politiek na de vorige crisis was juist om financiële reserves op te bouwen om komende crises beter het hoofd te kunnen bieden.

In het rood

Het CPB schrijft nu onomwonden dat door „het expansieve begrotingsbeleid” van Rutte III er „minder buffers worden opgebouwd voor minder vette jaren”. Het kabinet schroeft de komende jaren de overheidsuitgaven – onder meer aan defensie en onderwijs – inderdaad flink op. Het zorgvuldig door het vorige kabinet opgebouwde begrotingsoverschot begint weer af te kalven, van 1,1 procent tot 0,9 procent van het bruto binnenlands product in 2019. Het structurele begrotingssaldo, dat corrigeert voor conjuncturele fluctuaties, springt zelfs in het rood: van 0,8 procent in 2017 tot min 0,4 procent in 2019. De norm voor landen in de eurozone voor dit criterium bedraagt min 0,5 procent. Boven een grafiek die beide maatstaven in beeld brengen schrijft het CPB bijna vilein: ‘Expansief begrotingsbeleid leidt (nog) niet tot tekort’.

Kabinet schroeft overheidsuitgaven op

Kamerlid Joost Snellers van regeringspartij D66 kan zich niet geheel vinden in de kritiek van het CPB. Hij stelde in een persbericht dat „we behoorlijke buffers opbouwen voor mindere tijden”. Hij kijkt daarbij vooral naar een andere Brusselse begrotingsnorm, zegt hij in een toelichting. „De staatsschuld daalt de komende jaren naar 48,4 procent van het bbp. Dat is ruim onder de norm van 60 procent.” Bovendien ziet Snellers ook in het begrotingssaldo – het verschil in inkomsten en uitgaven van het Rijk – voldoende ruimte. „Een economische dip bedraagt gemiddeld 3 tot 3,5 procent. Nederland zit met een begrotingsoverschot van straks 0,9 procent nog netjes binnen de marge voor de volgende crisis.” Het begrotingstekort mag volgens de regels van de eurozone maximaal 3 procent bedragen.

Van Geest is er niet gerust op. Ze vreest dat de economie fragieler is dan de huidige coalitie denkt. Het is lastig om te voorspellen wanneer de huidige economische hoogconjunctuur omslaat, maar Van Geest vermoedt dat ook de huidige regering ermee te maken krijgt. „Tussen nu en eind van deze kabinetsperiode zou er weleens een omwenteling kunnen komen.”

    • Philip de Witt Wijnen