Column

Eureka! De overheid vult ’n gat in de markt

Verreweg de meeste van de ruim 1,66 miljoen Nederlandse ondernemingen zullen nooit een notering kiezen aan de effectenbeurs. Zij hebben voldoende eigen financiering, maken te weinig rendement, zijn te klein of zien op tegen de kosten. Sinds de Tweede Wereldoorlog gingen enkele honderden wél naar de beurs, maar de meeste zijn weer verdwenen. Fusies. Overnames. Faillissementen.

Uniek: er zijn bedrijven die niet één, maar tweemaal naar de beurs gingen. ABN Amro bijvoorbeeld. Bouwbedrijf VolkerWessels. Koffie- en theemaker Douwe Egberts, die ook weer is verdwenen. Opgekocht. En nu NIBC, een gespecialiseerde bank (700 werknemers, 213 miljoen euro nettowinst).

Je kunt NIBC zien als een bank voor al die middelgrote bedrijven die zelf niet naar de beurs gaan. De bank doet in projectfinanciering, bedrijfsparticipaties en overnamekredieten. Je kunt NIBC ook zien als de ‘antigrootbank’, zoals collega Joris Kooiman haar typeerde. NIBC zit bijvoorbeeld in Den Haag, niet in Amsterdam. Maar je kunt NIBC ook zien als een verbinding met het financieel-economisch verleden. En dat biedt een verrassende parallel met ouderwetse industriepolitiek die weer springlevend blijkt te zijn. Hoe zit dat?

NIBC komt voort uit een financieringsmaatschappij die in 1945 is opgericht om de industriële groei aan te wakkeren. Nederland had geen banken die langlopende kredieten voor fabrieken en machines gaven. Maar daar was dringend behoefte aan. Voor werk. Voor export. Zo begon in 1945 de Maatschappij tot financiering van het Nationaal Herstel. De overheid kocht iets meer dan de helft van de aandelen in de Herstelbank, de private financiële wereld de rest.

Met de investering nam de publieke sector een manco weg in de kredietverschaffing aan het particuliere bedrijfsleven. Als de private sector niet in staat is zelf voldoende financieringsmogelijkheden te organiseren, dan moet de overheid helpen. Kortom: industriepolitiek bedrijven. Dat is met name aan de orde als de economie in z’n achteruit gaat, bedrijven failliet gaan, kredieten stroppen worden en bange banken de ‘kredietkraan’ dichtdraaien. Dan kan een bank met een overheidsaandeelhouder blijven financieren waar particuliere banken afhaken. Dat is de theorie en de praktijk.

In de soms lichtzinnig liberale jaren negentig van de vorige eeuw verkocht de overheid zijn aandelen in de Nationale Investeringsbank, zoals de Herstelbank inmiddels heette. Industriepolitiek was ‘uit’. De staat had geen taak in de private financiële wereld. Toen kwam in 2008 de bankencrisis en daarna de economische crisis. Banken trapten op de kredietrem. Zo’n ‘ouderwetse’ investeringsbank was opeens niet zo’n raar idee. Bovendien kon Nederland een extra kapitaalkrachtige partij gebruiken voor de grote investeringen in verduurzaming van de economie en de energietransitie.

Lees ook: hoe politieke partijen de overheidsrol in de economie herontdekten

Dus maakte de overheid weer een draai. Een nieuwe investeringsbank? Ja. Het kabinet steekt nu 2,5 miljard euro in een nieuwe financier voor langlopende leningen, bijvoorbeeld voor de energietransitie. Hij komt op afstand van de overheid te staan en moet alleen levensvatbare projecten steunen. Invest-NL heet deze financier.

Drie weken geleden startte de maatschappelijke consultatie over het wetsontwerp voor de oprichting van Invest-NL. Een sleutelzin in de consultatie: „Privaat gefinancierde initiatieven kunnen achterblijven bij het maatschappelijk gewenste niveau van investeringen, waardoor oplossingen voor grote maatschappelijke vraagstukken niet, onvoldoende of te laat van de grond komen.”

Welkom terug in 1945.

Menno Tamminga schrijft op deze plaats elke dinsdag over ondernemingsbeleid en economie.