‘De Tuinman’: een komedie van de Lumières.

‘De Lumières waren ware kunstenaars’

Thierry Frémaux De directeur van Cannes heeft een missie: de eer van de gebroeders Lumière hoog houden, als uitvinders én cineasten.

‘Witless innovators.’ Het gezicht van Thierry Frémaux betrekt als ik hem de arrogante omschrijving van de gebroeders Lumière voorleg, afkomstig van filmexpert David Thomson. „Die visie hoor ik veel te vaak”, zegt hij. „Fransen zijn het ergst. Je zou denken: ze hijsen de Lumières op het schild als Franse uitvinders van de film. Maar nee, we zijn een volk van kannibalen en eten elkaar op. Juist in Frankrijk beweren ze dat de broers niks uitvonden, geen cineasten waren, niks bijdroegen.”

Thierry Frémaux (57) is een man met een missie: erkenning van zijn stadsgenoten Louis Lumière (1864-1948) en Auguste Lumière (1862-1954) als filmpioniers. En naar Frémaux wordt geluisterd. Naast directeur van het Institut Lumière, gehuisvest in de oude stadsvilla van de Lumières te Lyon, is hij directeur van het grootste filmfestival ter wereld: Cannes. Een filmfestival dat Louis Lumière als eerste directeur had gehad als het begin van de Tweede Wereldoorlog in 1939 geen roet in het eten had gegooid.

Frémaux voorziet al jaren live Lumièrefilmpjes van commentaar. Nu brengt hij een in elf thema’s opgedeelde compilatie van 108 Lumièrefilmpjes naar de bioscoop, met soms komisch, soms polemisch maar altijd liefdevol commentaar: Lumière! l’aventure commence. Het eigenlijke bioscoopdebuut van de broers: hun filmpjes draaiden indertijd op rondtoerende filmshows, op kermissen en in vaudevilletheaters. Bioscopen kwamen pas later.

Thierry Frémaux woonde vorige week in het Eye Filmmuseum de Nederlandse première bij; een jaar eerder zag ik hem in Parijs live commentaar geven in een theater vlakbij het Grand Café aan de Boulevard du Capucins waar de broers op 28 december 1895 ’s werelds eerste filmvoorstelling organiseerden. Tien korte filmpjes, te beginnen met 46 seconden ‘Arbeiders verlaten de Lumièrefabriek’. Wij kijken al decennia naar een remake, zo blijkt uit Lumière! l’aventure commence. Een onbekend, slecht belicht filmpje heeft de lichtinval en kleding die beter past bij de opnamedatum: 19 maart 1895. Ook lopen in dat filmpje een hond en paard rond die ooggetuigen van de eerste voorstelling in Parijs meldden. De broers namen later een betere versie op, die wij nu aanzien voor de eerste film ooit. Frémaux: „Daarmee zijn de Lumières dus de uitvinders van de remake én van de reclamefilm. Want de eerste film zoomde in op hun eigen fabriek.”

De broers Lumière waren al succesvolle fabrikanten van fotoplaten voor hun grote uitvinding: een draagbare camera die kon opnemen, printen én projecteren. Deze cinematograaf was een directe sensatie: om de wereldwijde dorst naar beelden te lessen, lieten de Lumières na 1895 1.422 filmpjes maken, aanvankelijk van maximaal 50 seconden. Dat begon met huisvlijt: familietaferelen, stadspanorama’s te Lyon, de beroemde trein die het station van badplaats Ciotat binnen rijdt. Maar al snel stuurden de broers camera’s met operators de wereld over voor exotische beelden, registreerden ze acrobaten, experimenteerden ze met stop motion. Toen de concurrentie toenam, verloren ze hun interesse en richtten ze zich op een volgend project: kleurenfotografie. Film had geen toekomst, dachten de Lumières.

Ergerlijk cliché

Geen toekomst? Ook hier moet Thierry Frémaux corrigerend optreden. „Wat u hier beweert, is een ergerlijk clichécitaat over de Lumières. Ik ben van origine historicus. Dus vraag ik: wat is de bron? Wel, de memoires van filmpionier Georges Méliès. Hij schrijft die uitspraak – film heeft geen toekomst – niet toe aan de broers, maar aan hun gepensioneerde vader, Antoine Lumière. Die zou dat in 1895 hebben gezegd, toen Méliès een camera van hem wilde kopen. Als dat klopt, probeerde Antoine Lumière dan niet gewoon een potentiële rivaal af te poeieren? Als de Lumières geen toekomst in film zagen, is het toch vreemd dat ze in de vijf jaar daarna bijna 1.500 films opnamen.”

Een ander cliché waaraan Frémaux zich ergert: de broers plempten hun camera’s op willekeurige straathoeken, en draaien maar. Als je dat al cinema mag noemen, zijn de Lumières hooguit de uitvinders van de documentaire. De vader van de speelfilm is dan theaterman Georges Méliès. Hij opende een studio, verfilmde scripts met acteurs, belichting, trucage, montage. Typisch Frans om de zaken zo formeel te scheiden, vindt Frémaux. „Ik geloof persoonlijk dat er twee manieren zijn om film te maken. De Lumières, dat zijn Rossellini, Bresson, Renoir. En Méliès is Fellini, is Hollywood. De een wil de realiteit vangen, de ander wil een realiteit construeren. Méliès sluit je op in een theatrale beleving, Lumière zet de deuren van de bioscoop juist open.”

Dat is het doel van Lumière! l’aventure commence: aantonen dat hun filmpjes wel degelijk cinema waren. De eerste vertoning in Parijs bevatte al komedie: ‘De Tuinman’. Die grap met een tuinslang perfectioneerden de broers in latere filmpjes. Frémaux vraagt ook aandacht voor goed gekozen cameraposities, mise-en-scène, kadrering, compositie, perspectief. Maar de charme van hun filmpjes is toch ook hun naïviteit, erkent hij. „De filmpjes zijn eenvoudig, puur en onschuldig. De Lumières manipuleren niet, ze wassen in zekere zin onze ogen die belegerd worden door onbetrouwbare beelden.”

Zonder commentaar werkt dat niet bij een modern publiek, erkent Frémaux. „Anderhalf uur Lumière is prachtig, maar oersaai. Je moet de kijkers op details en achtergronden wijzen. Een Mark Rothko in een museum wordt ook interessanter met uitleg.” Of hij het betreurt dat de broers na 1900 op film raakten uitgekeken? „Ach, Arthur Rimbaud had ook maar zes jaar voor zijn poëzie. Ze hadden gezegd wat ze te zeggen hadden. Ik denk dat ze – ten onrechte! – te bescheiden waren om zichzelf als artiesten te zien. Het was de taak van Gaumont, Pathé en Méliès om na hen de filmindustrie uit te vinden.”