CPB: politiek te veel geleid door koopkrachtplaatjes

Centraal Economisch Planbureau Koopkrachtramingen zijn minder precies dan politici denken, zegt CPB-directeur Van Geest. Ze maken het fiscale stelsel te complex.

„Koopkrachtramingen geven een gestileerde weergave van de werkelijkheid," schrijft CPB-directeur Laura van Geest. Foto Remko de Waal

Politici zouden zich minder moeten blindstaren op de zogeheten ‘koopkrachtplaatjes’, die jaarlijks een grote rol spelen bij het maken van de rijksbegroting. Ook in de verkiezingsprogramma’s van politieke partijen spelen ze elke vier jaar een belangrijke rol. Die oproep deed CPB-directeur Laura van Geest dinsdagochtend bij de publicatie van het Centraal Economisch Plan, met de recente macro-economische ramingen van haar Centraal Planbureau.

Het in kaart brengen van koopkrachteffecten van overheidsbeleid, zowel door het CPB als door het ministerie van Sociale Zaken, is nuttig en belangrijk voor het tegengaan van inkomensongelijkheid. Maar beleidsmakers en politici kennen er een te grote en te precieze waarde aan toe.

Dat leidt tot schijnwerkelijkheid voor burgers en tot een wildgroei aan fiscale maatregelen.

Gestileerde weergave

Koopkrachtramingen, schrijft Van Geest „geven een gestileerde weergave van de werkelijkheid” en zijn bovendien onzeker. Ze worden in medianen uitgedrukt, dat wil zeggen: de middelste waarde van een groep huishoudens. Op individueel niveau spelen andere factoren een veel grotere rol voor het inkomen: het hebben van een baan, pensionering of een echtscheiding. De jaarlijkse tabellen van het CPB zijn dus „minder geschikt voor de vertaling naar de privé-portemonnee”.

Daarnaast hebben politici de neiging om koopkrachtbeleid te sturen „op precieze cijfers achter de komma”. Men wil graag dat de koopkrachteffecten van alle huishoudgroepen altijd minimaal op nul staan en liefst in de plus – niemand ‘mag er op achteruit gaan’. Dat leidt volgens Van Geest tot eindeloos veel maatregelen van toeslagen, heffingskortingen en andere lastenverlichtingen. Dat kost geld – voor 2018 zou er zeker 4,1 miljard nodig zijn om ervoor te zorgen dat de „mediane koopkrachtontwikkeling” "dit jaar minimaal gelijk is aan 2017. En het maakt het fiscale stelsel ingewikkeld.

Van Geest: „Het is geen wonder dat Nederland een eenvoudig stelsel aan belastingen wel met de mond belijdt maar niet makkelijk realiseert.”

Gaat ons niveau van 'brede welvaart' gelijk op met de economische groei? Lees het interview terug met statistisch onderzoeker Jan-Pieter Smits van het CBS.
    • Philip de Witt Wijnen