Opinie

    • Marjoleine de Vos

Wat wist Gurlitt van zichzelf?

De jonge kunsthistoricus was een echte kunstliefhebber, vooral hartstochtelijk verliefd op de moderne kunst van zijn tijd, zoals Emil Nolde en Ernst Ludwig Kirchner, Kokoschka en Klimt. Toen hij op zijn dertigste directeur werd van een klein museum in een kleine Duitse stad, met als opdracht de collectie te moderniseren, wist hij het dus wel. Hij organiseerde tentoonstellingen, deed mooie aankopen, knoopte contacten aan met de kunstenaars. Maar de tijden zaten niet mee: het nationaal-socialisme was in opkomst en de conservatieve krachten in de stad hielden niet van zulke kunst. Ontslag. Hij verhuisde naar Hamburg waar hij de Kunstverein Hamburg ging leiden en het opnieuw probeerde. Zelfde verhaal. Hij bleek ook nog eens een ‘kwart Jood’. Hij vestigde zich als zelfstandig kunsthandelaar.

Deze geschiedenis had een heel andere kant op kunnen gaan dan ze deed. Want Hildebrand Gurlitt werd, waarschijnlijk door slim netwerken, aangesteld tot één van de vier kunsthandelaars die zogenaamde ‘entartete Kunst’, precies de kunst waar hij zelf zo van hield, in het buitenland te gelde moesten maken voor het naziregime.

Ongetwijfeld heeft hij op die manier kunstwerken gered. Maar in die rol raakte hij ook met pek besmet – hij werd een van de inkopers voor het geplande Führermuseum in Linz en kocht daarvoor kunst aan die vaak op dubieuze wijze in de handel terecht was gekomen, soms door direct toedoen van Gurlitt zelf.

Zijn omstreden kunstbezit hangt in Bonn, waar ik het op de valreep zag. Maar eigenlijk is dat niet het goede woord, ‘zien’. Natuurlijk zie je wel kunstwerken, er hangt van alles, oude en moderne kunst, werken op papier, olieverf, Rubens, Manet, Kokoschka – nogal een allegaartje. Er zijn heel mooie dingen bij. Maar je weet niet goed hoe je daarnaar moet kijken. Het voelt vreemd om je te verheugen in een Beckmann-aquarel van het Zandvoortse strand als bij elk kunstwerk staat wat men weet van de herkomst van het werk. Soms weet men ondanks uitvoerig onderzoek maar weinig.

En eigenlijk vraag je je vooral af: wat weet een mens van zichzelf? Wist die enthousiaste voorvechter van de moderne kunst, die man die de tegenkrachten negeerde en daardoor tot tweemaal toe zijn baan verloor, dat hij in staat zou zijn Joden op te lichten die geen kant op konden? Dat hij in plaats van hun bezittingen voor hen te gelde te maken, het geld in eigen zak zou steken? Dat hij later doodleuk zou ontkennen dat hij schilderijen bezat (‘allemaal verbrand bij het bombardement op Dresden’) die gewoon bij hem aan de muur hingen?

Nee waarschijnlijk. Niet veel mensen zullen van zichzelf verwachten dat ze zo zullen handelen. Maar waarschijnlijk doen velen van ons dat wel degelijk als het lot maar een handje meehelpt.

Gurlitt heeft dingen gedaan die we goed vinden en dingen die we verkeerd vinden. Hij was slachtoffer én dader. Dat noemen we dan makkelijk ‘grijs’, maar er is niet zoveel ‘grijs’ aan Gurlitt. Zijn geschiedenis bestaat uit zwarte en witte draden in een onontwarbaar vlechtpatroon. Na de oorlog was hij weer keurig en gerespecteerd, hield hij alleen maar verborgen wat hij had en hoe hij eraan gekomen was. Eén zwarte draad. Geen onbelangrijke. Geen grijze.

Wie naar kunst gaat kijken, hoopt iets te weten te komen, hoe ongrijpbaar dat ‘iets’ ook mag zijn: waarheid, schoonheid, dissonantie, harmonie. De werken in Bonn veroorzaken zulk soort inzichten niet. Ze weerspiegelen de kijker, door die kleine bordjes die ernaast hangen. ‘Herkomst nog niet opgehelderd.’

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC. Van haar verscheen onlangs de essaybundel Doe je best. Lof van het ongrijpbare leven
    • Marjoleine de Vos