Column

Mopperen tegen Mies

Voor een confrontatie met de sterfelijkheid, ook die van jezelf, zorgde zaterdagmiddag de NPO door een interview uit 1975 van Mies Bouwman met Johan Cruijff te herhalen. Daar zaten twee iconen, in die jaren alomtegenwoordig in de media, nog in de bloei van hun leven. Het was boeiend, maar ook tot enige weemoed stemmend.

Cruijff ontving zijn interviewer hartelijk in zijn Spaanse buitenhuis. Hij was spraakzaam en zelfs zijn vrouw Danny, bekend om haar afkeer van de media, deed haar best. Mies stelde beleefd, maar niet al te nederig, haar vragen.

Achteraf beschouwd was het een uiterst merkwaardige vertoning. Het had, merkte ik nu, een soort promotiefilm voor het toen pas uitgebrachte boek Boem moeten worden, maar het pakte uit als het tegendeel. In Boem, uitgebracht door de Gooise Uitgeverij in Bussum, vertelden Johan en Danny hun levensverhaal. Dat deden ze op aandringen van Cor Coster, de vader van Danny en de zaakwaarnemer van Johan. Het is allemaal in Boem te lezen.

„Johan”, vroeg Coster aan Cruijff, „zou je een boek willen schrijven?” „Ik weet geen moer van boeken schrijven af”, antwoordde Johan. „Ik kan een contract voor je sluiten met een uitgeverij”, zei Coster, „die sturen dan wel hulp naar je toe!”

Die hulp was kinderboekenschrijver Jaap ter Haar. In zijn nawoord schrijft hij dat het boek is ontstaan „na urenlange, zeer vertrouwelijke gesprekken, die voor een groot deel op de band zijn gezet. Ik ben daarvoor drie keer – in totaal 40 dagen – in Barcelona geweest. Johan en Danny hebben mij als het ware het doek, de tubes verf en de penselen aangereikt voor hun levensportretten in dit boek. Hún boek. Iedere zin, ieder woord hebben zij gelezen en zorgvuldig overdacht.”

Maar het echtpaar bleek het boek minder zorgvuldig te hebben overdacht dan de arme Ter Haar veronderstelde. Tegen Mies begonnen Johan en Danny stevig te mopperen over het boek, ook al ontkenden ze niet dat de citaten klopten. Johan, hoewel geen Kees Fens in wording, had bezwaar tegen de compositie (Ter Haar liet hen steeds in de ik-vorm aan het woord) en Danny zei: „Als de bandrecorder eenmaal loopt, praat je avondenlang, maar als je het terugleest, is het heel eng.”

Wat zullen ze zo vreselijk eng hebben gevonden? Ik heb Boem nog eens grondig doorgenomen. Ik vermoed dat Danny meer moeite met het boek heeft gehad dan Johan. Zij heeft de publiciteit altijd zo veel mogelijk gemeden, maar in Boem geeft ze desondanks veel prijs over haar privéleven. Ze beschrijft zichzelf tot tweemaal toe als iemand met een minderwaardigheidscomplex, ze kijkt met weinig vreugde terug op haar trouwdag, ze noemt Johan een „niet romantische” man, en ze klaagt over fans die wasgoed van de lijn stelen en ’s nachts opbellen „met de krankzinnigste praatjes”.

Al met al toont ze een geweldige hekel aan de voetbalwereld. „Voetbalvrouwtje!” roept ze uit. „Wat heb ik dikwijls gewenst dat ik getrouwd was met een gewone man.” Ze had ook per se uit Nederland weg gewild. „Weg van al die klootzakken en zeikers en wég van al dat gelazer om ons heen.”

De Cruijffs verboden de herdruk van het boek en Danny verdween weer, zoveel mogelijk zwijgend, naar de achtergrond. Boem was bij hen ingeslagen als een meteoor.