De moeilijke keuze tussen hart en talent

WK indooratletiek Nadine Visser beleefde met brons op de 60 meter horden haar internationale doorbraak. Op naar de 100 meter horden bij de EK.

Nadine Visser (midden) op weg naar WK-brons op de 60 meter horden. Foto Robin van Lonkhuijsen/ANP

De logica van een medaille schuilt in de aanloop naar een groot kampioenschap. Na jaren op haar talent te hebben gebroed, werd Nadine Visser in 2017 Europees hordenkampioen ‘onder 23 jaar’, won ze de Universiade en sloop ze op de WK in Londen – na een zevende plaats op ‘haar’ zevenkamp – de finale van de 100 meter horden binnen. De bronzen medaille van zaterdag, op de 60 meter horden bij de WK indoor in Birmingham, was het uitvloeisel van een organisch proces.

Visser keek er niet van op dat ze derde werd. Ze voelde al lang dat podiumplaatsen binnen haar bereik liggen, op trainingen, bij wedstrijden, aan haar lichaam. De internationale doorbraak naderde, dat wist ze. In Birmingham schoot ze door het plafond. Eerst in de halve finale, die ze won in 7,83 seconden – een verbetering van het bijna dertig jaar oude Nederlands record van Marjan Olyslager met zeshonderdste van een seconde.

De bekroning volgde later die avond in de finale, een fractie trager (7,84), dat wel, maar met een bronzen plak als aansprekend resultaat, achter de (vooralsnog snellere) Amerikanen Kendra Harrison (7,70) en Christina Mannin (7,79). De logica van Vissers internationale doorbraak school ook in de nuchtere reactie van haar trainer Bart Bennema: „Die snelle tijden zaten er al een poosje aan te komen.”

Luxeprobleem

De evenwichtige, ambitieuze, 23-jarige Visser uit Hoogkarspel, Noord-Holland zadelde zich met haar derde plaats op met een luxeprobleem. Hoe nu verder? Als meerkampster, waar haar hart ligt? Of als hordeloopster, waar haar uitgesproken talent ligt? Bennema is duidelijk als hij stelt: „Als Nadine goed wil worden, moet ze vol voor de horden gaan. De topatleten lopen dertig wedstrijden per jaar, met tien kun je niet wegkomen.”

Vissers voordeel is dat zij in Bennema een ervaren adviseur heeft, de coach stond een jaar of vier terug met zijn toenmalige pupil Dafne Schippers voor eenzelfde keus. Zij liet de meerkamp, ondanks een bronzen WK-medaille, voor wat die was, legde zich vanaf 2015 toe op de sprint en mag zich nu tweevoudig Europees kampioen 100 meter én tweevoudig wereldkampioen 200 meter noemen. Wat Bennema destijds van Schippers’ dilemma leerde? „Dat Nadine haar hart moet volgen.”

Voor haar agenda in 2017 is de keus niet moeilijk, liet Visser in Birmingham doorschemeren. Op een WK achter twee Amerikanen, maakt je automatisch de beste Europeaan, beseft ze. Dat biedt perspectief voor de EK, later dit jaar in Berlijn. Haar voorkeur gaat tot die tijd uit naar horden, daarover liet ze in Birmingham geen misverstand bestaan. „Het gaat nu zo goed dat ik op de EK horden ga doen.” Maar of ze daarmee definitief afscheid neemt van de meerkamp, laat Visser in het midden. „Daarover moet ik nog eens héél diep nadenken.”

Intensieve evolutie

De boetsering van Visser tot toploopster over de horden, mondiaal een zeer competitief onderdeel, is een intensieve evolutie geweest, zegt Bennema, die na het explosieve succes van Schippers met de entree van Visser wederom een proeve van zijn vakmanschap aflevert.

De succescoach vertelt dat het geheim van haar bronzen medaille vooral schuilt in de tempoversnelling tussen de horden. Bestudering van filmbeelden leerde hem dat Visser over de horden zeker zo snel is als haar concurrenten, maar daartussen significant langzamer was.

Bennema zette bij trainingen de horden iets dichter op elkaar dan de gebruikelijke 8,50 meter. Hij bracht de afstand gevarieerd terug tot tussen 7,60 en 7,90 meter, waardoor de atlete gedwongen werd een hoger beenritme te onderhouden. Die versnelling, gevoegd bij de specifieke snelheidstrainingen zonder horden, maakte haar rijp voor het podium.

‘Die 40 meter kan er wel bij’

De vraag is of Visser haar succes op de korte afstand indoor ook kan vertalen naar de buitenwedstrijd over 100 meter, met tien in plaats van vijf hindernissen. Bennema denkt van wel. Of eigenlijk weet hij het wel zeker. De kracht van Visser schuilt in haar laatste meters – „dan kan die veertig meter er nog wel bij”. Ze moet alleen haar start verbeteren. Bennema: „Maar daar wordt hard aan gewerkt.”

En Visser, hoe gaat zij met haar eerste internationale succes om? Nuchter, alsof het business as usual is. Nadat haar naam als ‘nummer drie’ oplichtte, was er geen sprake van extreme uitbundigheid. Ze stak een arm omhoog, drapeerde de Nederlandse vlag om haar schouders en liet zich naast Harrison en Manning gewillig fotograferen.

In de catacomben analyseerde Visser de race zakelijk. Ze was vooral superblij met haar bronzen medaille en refereerde aan haar gevoel na de zevende plaats op de WK in Londen. „Die was klote. Wat koop je nu voor een zevende plaats? Niets.”