Opinie

    • Hugo Camps

Strade Bianche

Hollandser dan de Strade Bianche krijgen we het niet meer in het internationale wielrennen. Grind- en modderwegen, kronkelpaden tussen heuvels en valleien, venijnige klimmetjes, huiveringwekkende afdalingen, beulswerk. En toch blijft de Strade een fremdkörper in Nederland, terwijl het deze kampioenenweken van indooratletiek, baanwielrennen en straks weer schaatsen voltooit. De wedstrijd wordt gereden in Italië en dan geeft de NOS vaker niet thuis. Tot verdriet van enkele toprenners als Tom Dumoulin, Laurens ten Dam, Lars Boom en Niki Terpstra, die verzot zijn op deze wedstrijd. Ze ruilen de Tirreno en Parijs-Nice graag in voor het podium in Siena.

De koers speelt zich af op vreemde wegen, sommige onverhard, andere met een grindlaag en ook nog met de sporen van beestenspul. Het is cross aan hoge snelheid. Een halve spookkoers, wel met grote namen op de erelijst: Aleksandr Kolobnev, Philippe Gilbert, Fabian Cancellara, Michal Kwiatkowski. Vaak zijn de slijkduivels onherkenbaar als ze de historische Piazza del Campo in Siena opdraaien.

De Strade Bianche ontstond in 1997 als een granfondo voor wielertoeristen. Deelnemen kon alleen op een fiets die dertig jaar oud was. Ook het parcours was zo retro als de pest met wegen die enkel nog door landbouwers op hun tractor werden gebruikt. Maar langs de smurrie rees het bucolische Toscane op met klimmetjes en ravijnen. Het evenement is pas tien jaar later een profwedstrijd geworden, gepromoot als ‘La Classica del Nord più a sud d’Europa’. Renners spreken nu van een combinatie van de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix.

Drie jaar geleden won ex-veldrijder Zdenek Stybar de Strade. Wout van Aert wordt getipt als mogelijke winnaar zaterdag, ook veldrijder. Zeker is dat het een allrounder zal zijn die met de bloemen (zonder meisjes) naar huis zal gaan.

De finale is genadeloos. Midden in het middeleeuwse stadscentrum van Siena volgt na elf kilometer grindstroken een klimmetje met pieken tot 16 procent. Vaak werd daar in het verleden het verschil gemaakt. Echte sprinters hebben nooit de top tien gehaald in de Strade. Greg Van Avermaet is gebrand op de wedstrijd. Maar ook Alejandro Valverde en Vincenzo Nibali zijn hopeloos verliefd op deze mix van oudheid en moderniteit. Met de klasse van Dumoulin is alles mogelijk.

Het wordt tijd voor een Nederlandse winnaar in de Strade Bianche. Er is nood aan een type-Hennie Kuiper. Voor de bergen hebben we genoeg klimtalent en in de sprint doen een paar snelle jongens de tijden van Jeroen Blijlevens herleven. Maar een superieure puncher is er niet. Het Nederlandse wielrennen wordt gedragen door Dumoulin. Daar moeten een paar mannetjes bij die stabieler zijn dan Steven Kruijswijk. Terpstra zou het kunnen, maar hem wordt niets meer gegund in het peloton. Te link.

Oranje heeft in Zuid-Korea de hele wereld naar huis geschaatst. Wielrennen hoort tot dezelfde bloedgroep als schaatsen. Maar de helden ontbreken. Ook Dumoulin is nog steeds geen icoon – hij wil het ook niet zijn. Dit land van buitenlucht, slijkwegen en smurrie in de ogen moet nu maar eens de Strade Bianche winnen. Na Pyeongchang is Siena het perfecte podium van een nieuwe wereld. Broedplaats voor innige vervlechting van cultuur en sport. De marathon van Haaksbergen komt daar helaas niet voor in aanmerking.

Hugo Camps is journalist, columnist en schrijver.
    • Hugo Camps