WK atletiek: heerlijke onderbreking van de winter

Indooratletiek Een overdekt WK heeft onder atleten minder status dan het grote WK buiten. Sommigen worstelen al met de krappe bochten.

De Britse Zoey Clark bereidt zich voor op haar 400 meter bij de WK indoor in Birmingham. Foto Facundo Arrizabalaga/EPA

Buiten of binnen, een atleet wil een podium om te excelleren, altijd. Aan die intrinsieke motivatie is het verschil tussen een atletiekkampioenschap indoor of outdoor niet af te meten. Het onderscheid zit ’m in de status. Een wereldtitel indoor staat minder hoog aangeschreven dan diezelfde titel in de buitenlucht.

Dafne Schippers dankte haar faam niet aan de Europese titel op de 60 meter van 2015 in Praag. Wat tot de verbeelding spreekt, is haar wereldtitel op de 200 meter, een half jaar later in Beijing. Vanaf dat moment is de sprintster hot voor zowel publiek als het bedrijfsleven. Ze kan amper ongemerkt over straat en verkeert in de luxe positie te kunnen kiezen uit hoogwaardige sponsors als Nike en Porsche.

Naast het dak en de buitenlucht zit het verschil tussen indoor en outdoor in het programma en de wedstrijd-faciliteiten. Buiten kunnen alle disciplines uitgevoerd, onder dak zijn er beperkingen. Speerwerpen, om maar een onderdeel te noemen, is indoor ondenkbaar. Voor de loopnummers komt daar nog de beperking van een kortere baan bij – 200 in plaats van 400 meter, met krappere bochten.

Bolt meed ‘indoor’ als de pest

Ander verschil is de waarde die atleten aan indoor hechten. Velen, en niet de minsten, laten de overdekte wedstrijden aan zich voorbij gaan; of geen zin of fysiek beperkt. De krappe bochten maken een indoortoernooi gevoeliger voor blessures, dus minder aantrekkelijk. Het vereist ook een specifiekere voorbereiding, wat een inbreuk op de trainingsplanning kan betekenen. Usain Bolt, die een decennium de sprintnummers domineerde, meed indoor als de pest.

Het verschil in benadering wordt binnen de Nederlandse ploeg bij de WK indoor in het door sneeuw geplaagde Birmingham geaccentueerd door sprintster Jamile Samuel en meerkamper Eelco Sintnicolaas. Waar Samuel de WK indoor als „een heerlijke onderbreking” van de wintertrainingen ervaart, neemt Sintnicolaas de wedstrijd „net zo serieus als een buitentoernooi”.

Samuel: „Bij langdurige trainingsblokken denk ik wel eens: waar doe ik dit ook al weer voor? Ik word daar ook een beetje sloom van. Geef mij maar wedstrijden, daar haal ik meer uit dan uit trainingen.” Sintnicolaas daarentegen: „Elk toernooi, elke meerkamp is voor mij belangrijk, dan maakt binnen of buiten geen verschil, ook niet in status. Ik ben dertig jaar en denk nog drie jaar mee te kunnen, dus wil ik die tijd nog aan zo veel mogelijk toernooien meedoen. En een titel is een titel.”

Vanuit trainersperspectief is er amper verschil tussen indoor of outdoor. Het vereist bij technische onderdelen, vanwege de andere omstandigheden, een toegesneden aanpak, maar op de loopnummers maakt het niet uit. Bart Bennema vindt indoor „een welkome onderbreking van het winterprogramma”. En als je indoor doet, moet je het ook goed doen, is zijn adagium. „Dat impliceert: intensiteit omhoog, omvang omlaag”, doceert de trainer van sprintster Samuel en hordeloopster Nadine Visser.

En de Atletiekunie? „Wij behandelen elke toernooi gelijk”, zegt technisch directeur Ad Roskam. „Ook bij indoor wordt de sport in de etalage gezet. Wij dwingen atleten niet om indoor te doen. De acht die nu in Birmingham zijn, weerspiegelen niet de potentie van ons land, omdat een aantal is thuis gebleven. Het zij zo.”

    • Henk Stouwdam