Waarom rokers wel willen stoppen maar er niet in slagen

Tabaksverslaving

De meeste rokers willen wel stoppen. Maar door hun fysieke en psychische verslaving lukt dat niet. Een stopadvies van de arts zou al veel kunnen helpen.

Bezoekers aan de vakantiebeurs roken een sigaret in een rookruimte in de Utrechtse Jaarbeurs. Foto Jerry Lampen/ANP

De meeste rokers hebben het voornemen ooit nog eens te stoppen met hun ongezonde gewoonte. Velen hebben al diverse pogingen gedaan, maar zijn toch weer in hun verslaving teruggevallen. Stoppen met roken, dat is voor de meesten makkelijker gezegd dan gedaan.

Iets minder dan een kwart van de volwassen Nederlanders rookt. Eenderde van hen ondernam in 2016 een serieuze stoppoging, zo blijkt uit cijfers van het CBS, het RIVM en het Trimbos Instituut. Meestal waren zorgen om de eigen gezondheid of die van kinderen de drijfveer om te stoppen. Maar lang niet alle mensen die willen stoppen, slagen erin van de rookwaren af te blijven. Gemiddeld lukt dat pas definitief na drie stoppogingen. Daar gaan vaak jaren overheen.

Vorige week maakte het Openbaar Ministerie (OM) bekend af te zien van strafvervolging naar aanleiding van de aangifte die de Amsterdamse strafrechtadvocaat Bénédicte Ficq had gedaan tegen vier tabaksproducenten, die doelbewust de gezondheid van rokers in gevaar zouden brengen. In juridische termen zou dat volgens Ficq neerkomen op „poging tot moord dan wel doodslag en/of poging tot zware mishandeling met voorbedachte rade”. De aangifte werd oorspronkelijk gedaan namens de stichting Rookpreventie en twee ex-rokers. Later sloten zich er tientallen rechtspersonen bij aan waaronder diverse medische beroepsverenigingen, gezondheidsfondsen, ziekenhuizen en verslavingsklinieken. Het werd een grote zaak die veel media-aandacht genereerde.

Op 22 februari meldde het OM niet tot vervolging van tabaksproducenten over te gaan. Roken is weliswaar dodelijk, en het ontwerp van de sigaret draagt daaraan bij, stelde het OM in een verklaring, maar de producenten blijven binnen de strikte regels die gelden voor het produceren van sigaretten. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de roker, de verplichte waarschuwingen op de verpakkingen („roken is dodelijk”) zijn daarvoor afdoende. Daarom maakt een strafzaak weinig kans.

Die dag lichtte hoofdofficier Marianne Bloos in NRC het besluit toe. „Er bestaat zoiets als vrije wil”, zei Bloos. „Niemand dwingt mensen om te roken en ze stoppen er ook vaak genoeg mee. Je kunt tabaksfabrikanten niet verantwoordelijk houden voor hun gedrag. (…) Met de huidige wet en jurisprudentie kun je niet zeggen: de roker handelt helemaal niet zelf.”

Extreem verslavend

Maar veel wetenschappers vinden dat het OM veel te snel die conclusie heeft getrokken. „Theoretisch is beginnen of stoppen met roken inderdaad wel een vrije keuze en eigen verantwoordelijkheid, maar in de praktijk ligt dat veel moeilijker”, zegt Onno van Schayck, hoogleraar Preventieve Geneeskunde aan de Universiteit Maastricht die veel onderzoek heeft gedaan naar effectieve methodes om te stoppen met roken.

Van Schayck: „Het punt is dat de meeste mensen beginnen met roken in de puberteit, een fase in hun leven waarin ze lastig weloverwogen keuzes kunnen maken. Inherent aan de puberteit is dat jongeren volop experimenteren met allerlei zaken, zoals voeding, seks , drugs en ook roken. Op het moment dat zij daar overheen groeien blijkt het heel moeilijk om van het roken af te komen, omdat roken zo extreem verslavend is.”

Van Schayck licht toe: „Nicotine is bij veel mensen nog verslavender dan harddrugs als cocaïne of heroïne. Verslaving is namelijk een functie van afhankelijkheid en frequentie. Een roker rookt gemiddeld tien tot twintig sigaretten per dag, met vijf tot tien inhalaties per sigaret. Dan zit je al snel op honderd inhalaties per dag. Iedere keer geeft dat vrijwel instantaan een kick. Binnen tien tot twintig seconden bereikt de nicotine de hersenen. Rookgedrag wordt dus honderd keer op een dag beloond. Geen enkele verslaving is zo vaak belonend, zelfs koffie komt niet in de buurt. Dat maakt het ongelooflijk hardnekkig. Eigenlijk is weinig zo verslavend als roken. Daarmee is de redenering van het OM op zijn minst laakbaar.”

Daar komt ook nog bij dat de een gevoeliger is voor rookverslaving dan de ander, bepaald door erfelijke aanleg. Van Schayck: „Hoe sneller je lichaam nicotine afbreekt, hoe groter de behoefte aan een volgende sigaret. De kans op verslaving wordt daardoor groter.”

Los van de fysieke verslaving bestaat er ook een psychische verslaving aan roken, zegt gezondheidspsycholoog Eline Meijer, postdoc aan het LUMC in Leiden. Net als Van Schayck vindt zij dat mensen niet vrij zijn als het om roken gaat. „Als de sigaret nu zou worden uitgevonden, zou zo’n ongezond en verslavend product nooit op de markt worden toegelaten. Maar nu die er eenmaal is – dat is een historisch gegeven – is het ontzettend lastig om de sigaret weg te krijgen.”

De belangrijkste oorzaak daarvan is dat stoppen behoorlijk moeilijk is, zegt ook Meijer. Tachtig procent van de rokers in Nederland wil stoppen, vaak om gezondheidsredenen, maar het lukt niet of het komt er niet van. „Maar liefst 90 procent van degenen die een stoppoging ondernam blijkt na een aantal jaar toch weer te zijn teruggevallen in de rookgewoonte”, zegt Meijer, „Zelfs vrouwen die zwanger worden, en die zich terdege bewust zijn dat het roken ook hun ongeboren kind schaadt, lukt het soms niet van de sigaretten af te blijven. Als het makkelijk was om te stoppen, zouden ze er best even mee op kunnen houden, maar zo eenvoudig ligt dat dus niet.”

De psychische verslaving aan roken is daarbij minstens zo hardnekkig als de fysieke verslaving, benadrukt Meijer: „Roken kan een deel van je identiteit worden. Mensen zeggen dan: ik ben nu eenmaal een roker. Dat maakt het veel lastiger om te stoppen, omdat je dan iets moet gaan doen dat eigenlijk niet past bij hoe je jezelf ziet. Rokers moeten zichzelf kunnen zien als niet-roker, om te stoppen met roken. Voor lager opgeleiden blijkt dat moeilijker omdat ze vaker in een omgeving met andere rokers zitten.”

Groepstherapie

Van het roken afkomen lukt vaak alleen met goede begeleiding en coaching, ondersteund door een paar maanden gebruik van farmaceutische middelen die de ontwenningsverschijnselen tegengaan. Maar zelfs dan is het effect beperkt, zegt Van Schayck. „Maximaal één op de vijf blijft hiermee voorgoed van de sigaretten af. Tot nu toe is het hoogst gemeten aandeel in onze onderzoeken 20 tot 30 procent van de deelnemers die na twaalf maanden nog steeds is gestopt. Een experiment dat we hebben gedaan met groepstherapie in bedrijven is heel veelbelovend, maar de resultaten moeten nog gepubliceerd worden. Er is dringend behoefte aan betere middelen die helpen bij het stoppen. Ik hoop op een nicotinevaccin, maar tot nu toe is dat nog niet heel succesvol gebleken.”

Ondanks dat stoproken-geneesmiddelen lang niet iedereen van het roken kunnen afhelpen, zijn ze behoorlijk effectief in het voorkomen van voortijdig overlijden. In een overzichtsartikel over behandeling van tabaksverslaving laat Van Schayck dat zien in een tabelletje. Om een voortijdig sterfgeval te voorkomen moet je tien tot vijftig rokers drie tot zes maanden behandelen met nicotinehoudende pleisters of kauwgom, lage doses van het antidepressivum bupropion, of het ontwenningsmiddel varenicline. Vergelijk dat eens met hoeveel mensen preventief statines moeten slikken (107) of bloeddrukverlagende medicijen (700) om één voortijdig sterfgeval te voorkomen.

Dat stoppen met roken neerkomt op iemands eigen verantwoordelijkheid, gaat ook Meijer te ver: „De kwestie is: zie je roken als gewoonte of als verslaving? De situatie is echt heel anders dan bijvoorbeeld bij alcohol. Heel veel mensen drinken alcohol, en soms ook te veel, maar er zijn maar weinig mensen echt verslaafd aan alcohol. De meeste rokers zijn wel echt verslaafd. Dat betekent dat vrije wil en eigen verantwoordelijkheid hier niet de juiste terminologie is.”

Daarom is het belangrijk dat alle rokers een stopadvies krijgen van hun arts, zegt Meijer. „Maar vreemd genoeg gebeurt dat vaak niet. Dat blijkt uit onderzoek onder Nederlandse specialisten. Soms vragen zij hun patiënten wel naar hun rookstatus, maar doen ze er niets mee. Voor de patiënt kan dat overkomen als impliciete goedkeuring van de arts.”

Tijdgebrek of taboe

Vaak wordt tijdgebrek aangevoerd als reden om er niet verder op in te gaan, zegt Meijer, maar soms rust er ook een taboe op om het gesprek aan te gaan. „Dan is de arts bang om de relatie met de patiënt te schaden. Het verschilt per discipline. Verloskundigen krijgen bijvoorbeeld te maken met een andere groep rokers; vrouwen die vaak al geprobeerd hebben te stoppen maar die het nog niet gelukt is. Verloskundigen willen hen daar soms niet opnieuw mee confronteren omdat ze bang zijn dat het een gevoelig onderwerp is, of een negatieve invloed heeft op de relatie met de patiënt. Datzelfde zien we bij tandartsen.”

Maar dat mag geen excuus zijn, vindt Meijer. „Het geven van een stopadvies is heel effectief, sterker nog: patiënten verwachten het ook van hun zorgverlener. Het hangt af van diens vaardigheden hoe goed-ie dat ter sprake kan brengen, maar daar kun je op trainen.”

Uit een inventariserend onderzoek van Meijer blijkt dat huisartsen veel vaker stopadvies geven aan mannen dan aan vrouwen. „Waarom dat zo is moet nog beter onderzocht worden”, zegt Meijer. „Maar wat al wel is gebleken is dat vrouwen zo’n advies vaak vervelender vinden dan mannen.”

Advocaat Ficq is intussen naar het Gerechtshof in Den Haag gestapt in een poging het OM alsnog te dwingen een strafzaak tegen de tabaksfabrikanten te beginnen.

    • Sander Voormolen