Commentaar

Schaatsen op natuurijs is geluk op twee ijzers

Waarom maakt zich van Nederlanders een nerveuze spanning meester zodra het natuurijs een dikte van drie centimeter begint te naderen? Het is meer dan anticipatie op een middagje buitensport, een strandwandeling of een fietstocht. Schaatsen op natuurijs is uniek. Het is ook figureren in een 17de-eeuws vrieslandschap van Avercamp. Het is lange slagen proberen te maken als Sven Kramer of sprinten als Sjinkie Knegt en hopen dat je vrienden dat ook zien. Het is de stad, de polder of de rietkragen intens beleven op het, liefst zwarte ijs. Het is geluk op twee ijzers.

Eigenlijk had de Amerikaanse tv-presentator Katie Couric bij de opening van de Winterspelen in Pyeongchang geen ongelijk toen ze de Hollandse schaatssuccessen verklaarde uit ‘onze’ gewoonte de schaats te gebruiken als transport wanneer de grachten dichtvriezen. De schaats is ergens in het Nederlandse DNA terechtgekomen: zwieren, racen, krabbelen, toeren. Liefst op ijs dat kraakt en barsten slaat als je er overheen schiet.

In werkelijkheid vinden de Nederlandse schaatssuccessen, ook die in het shorttrack, eerder hun oorsprong op de vele (overdekte) kunstijsbanen dan op natuurijs. In steeds meer steden verschijnen rond de jaarwisseling kunstijsbaantjes op markten en pleinen – een plek waar veel schoolkinderen hun eerste schaatsmeters maken. Nog even los van de vraag in hoeverre klimaatverandering daar debet aan is, zo vaak krijgen we de kans niet om op natuurijs te schaatsen. De laatste keer dat er serieus buiten gereden kon worden, is alweer vijf jaar geleden. Dat maakt deze dagen zo kostbaar.

Als het zou kunnen, zouden veel Nederlanders maar wat graag op schaatsen naar hun werk gaan. Maar nu de temperaturen in avond en nacht al enige tijd tot ver onder het vriespunt zakken, binden veel Nederlanders hun schaatsen ná hun werk onder. Kinderen in grote delen van het land treffen het dat hun vakantieweek samenvalt met wellicht de laatste serieuze stuiptrekking van deze winter.

Het zorgt voor een bijzondere, nostalgische sfeer als we met velen op de bevroren sloot staan, aan de verijsde randen van meren en plassen of op de opgespoten ijsbaantjes net buiten het dorp. Als er ooit aandrang is om selfies te maken dan wel nu: ‘Natuurijs 2018, Ik Was Erbij’. Wie nooit eerder buiten schaatste, staat nu voor een groot dilemma. Hoor ik er wel bij, of toch maar niet? Zo bezien is natuurijs een ernstige kwestie.

Massaal zoeken velen plekken waar tussen rietkragen het natuurijs betreden kan worden. Vorige week werd in het noorden een vaarverbod afgekondigd voor vaarten en sloten, in sommige Amsterdamse grachten gebeurde deze week hetzelfde. Donderdagmiddag werden daar de eerste schaatsers gesignaleerd, waaghalzen zoals die zich in verschillende delen van het land manifesteren.

Schaatskoorts in georganiseerd verband begint bij de ijsclubs in het oosten: Haaksbergen, Veenoord, Nieuw-Amsterdam en Noordlaren. Wie creëert de eerste schaatsbaan waar een marathon op natuurijs gereden kan worden? Haaksbergen had de primeur.

Over een Elfstedentocht hoeven we het niet te hebben. In de volgende winter wordt een record geëvenaard: de langste periode tussen twee Elfstedentochten was tot nu toe tussen de edities van 1963 en 1985. Tussen de laatste Tocht der Tochten, die Henk Angenent won op 4 januari 1997, en de mogelijk eerstvolgende zit dan een gat van 22 jaar. Nu is het devies: pluk de dag, beleef het ijs, de traditie, de vrijheid, de natuur.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.