Urenlang ijzersmijten is de norm

WK baan De wereld van het baanwielrennen is de afgelopen jaren drastisch veranderd. Snelle, atletisch gebouwde renners als Theo Bos leggen het tegenwoordig af tegen extreem gespierde bodybuilders. „De focus ligt nu op kracht.”

Harrie Lavreysen Foto Vincent Jannink/ANP

Er staat een whiteboard op het middenterrein van het Omnisport in Apeldoorn, deze week decor van de WK baanwielrennen. Van links naar rechts kunnen renners hun naam noteren, het land waarvan ze afkomstig zijn, en daarachter een maat in centimeters. Ideetje van de NOS. Het gaat om de omtrek van de dijbenen, het wapen van de heren sprinters. „Een statussymbool”, noemt oud-renner Tim Veldt het. Dames ontbreken op de lijst. „Meer een mannending”, zegt olympisch keirinkampioen Elis Ligtlee.

De Britse teamsprinters zijn er als de kippen bij. Ryan Owens en Callum Skinner hebben respectievelijk dijen van 63 en 64 centimeter. Vijfvoudig wereldkampioen Theo Bos staat niet op het bord, maar weet wel precies zijn score: „62, op dit moment.” Harrie Lavreysen en Jeffrey Hoogland – die zich vrijdag beiden niet kwalificeerden voor de halve finale van het individuele sprinttoernooi – gaan daar met 66,5 en 65 centimeter net overheen. Twee Russen komen boven de zeventig, en dan komt Roy van den Berg, de man die maandag te horen kreeg dat hij niet geselecteerd werd en dus ook niet deelde in de vreugde van de latere wereldkampioenen. De prijs voor de grootste dijen wint hij wel, met afstand: zijn beenspieren bulken tot 75,2 centimeter, de omtrek van een Brabantia-prullenbak – het smalle model.

Eén man ontbreekt op het lijstje: de Duitser Robert Förstemann, wiens dijbenen naar verluidt meer dan tachtig centimeter omvatten, al wil hij dat niet bevestigen. Sinds een foto van zijn welhaast gefotoshopte spierbundels in 2012 het web overging, willen mensen alleen nog maar over zijn benen praten en raken zijn prestaties ondergesneeuwd. Baalt hij van, zegt hij donderdagavond. „Het is geen voordeel voor mij. Ik ben daardoor niet aerodynamisch.”

Van den Berg denkt er het zijne van. Hij appt een foto van het sprintpodium bij de wereldbeker van Manchester, waar hij naast Förstemann staat. Duidelijk is dat zijn bovenbenen groter zijn dan die van de Duitser. „Daarom wilde hij niet meedoen met dat lijstje”, claimt Van den Berg. „Die jongen verdient zijn geld met die poten. Hij staat op bodybuilderexpo’s.”

Foto Bas Czerwinski/ANP

Revolutie op de sprintnummers

De dijbenen zijn een dingetje geworden in het baanwielrennen sinds de sport het laatste decennium een revolutie heeft doorgemaakt op met name de sprintnummers. Waar de focus bij de Olympische Spelen van Beijing in 2008 nog veel meer op de atletische beweeglijkheid lag, is dat brute kracht geworden.

Op het middenterrein van de Apeldoornse wielerbaan valt op hoe groot de mannensprinters tegenwoordig zijn. Niet alleen hun benen knappen bijna uit hun lycrapak, ook hun geblokte bovenlichamen zijn het resultaat van uren ijzersmijten in het krachthonk. Tim Veldt heeft de sport zien veranderen. Samen met Teun Mulder en Theo Bos reed hij geregeld mondiaal prijs op het onderdeel teamsprint. Van die drie – allen aanwezig op de WK, alleen Bos nog als deelnemer – kan je veel zeggen, maar niet dat ze overdreven geblokt zijn. Veldt: „Gespierde mannen als Chris Hoy en Craig MacLean waren in mijn tijd nog een uitzondering. Daarvoor had je ook wel kerels uit Oost-Duitsland die groot waren, de rest was atletisch gebouwd. Snelheid was toen de bepalende factor. Nu ligt de focus op kracht.”

Die verandering heeft volgens Veldt met één ding te maken: het verzet waarmee de renners rijden is een stuk groter geworden. „De versnelling die ik trapte tijdens de teamsprint. is met de kennis van nu gewoon lachwekkend te noemen. In mijn laatste jaar als sprinter reed ik met 50’13 in de kwalificaties van de individuele sprint. Daarmee reed Theo ook zijn wereldrecord [op de 200 meter vliegend] in Moskou.”

De twee getallen die Veldt noemt, geven het aantal tanden op de tandwielen aan – in zijn geval ging het om vijftig tanden op het tandwiel voor en dertien tanden achter. Hoe groter het verschil tussen die twee, hoe zwaarder het verzet. Op een baanfiets zitten geen versnellingen. De renner kiest per onderdeel het ideale verzet. Bij een vliegende start is de aanvangssnelheid al een stuk hoger en moet er zwaarder getrapt worden om het tempo daarna in één rondje naar maximaal op te kunnen schroeven. Als er uit stilstand gestart wordt, is het verzet kleiner, anders komt de renner niet eens op gang.

Matthijs Büchli

Foto’s Vincent Jannink/ANP

Zeven tanden zwaarder

Theo Bos vond laatst een computerbestand van de eerste wereldbekeroverwinning uit zijn carrière terug. Het ging om de kilometertijdrit in Bordeaux, 2004. Daarbij is de start niet zo belangrijk als bijvoorbeeld bij de teamsprint, maar moet het verzet wel zwaar genoeg zijn om een hoge topsnelheid te kunnen behalen en te behouden. „Ik reed toen 50’14. Dat is heel licht. Nu doe ik hetzelfde onderdeel op 61’15, vergelijkbaar met 57’14, dus zeven tanden zwaarder op het voorblad. Echt een heel groot verschil. Maar er zijn mannen die nog groter rijden.” Hij grinnikt van ontsteltenis. „Denis Dmitriëv bijvoorbeeld. Die rijdt met 60’12.” In training rijden veel renners volgens Bos nóg zwaarder. „Dat heet overgear. Ik denk dat Dmitriëv dan wel tot 60’10 gaat. Dat betekent volle bak sprinten met negentig omwentelingen per minuut. In de wedstrijd rijdt hij daarna lichter en lijkt het alsof hij vliegt.” Roy van den Berg: „Toen ik in 2009 begon met baanwielrennen, reed ik 53’14 en dat was toen al een serieus verzet. Dat ging daarna in een rap tempo omhoog. Ik zit nu op 58’12. Ik doe het veel meer op kracht.”

René Wolff, oud-bondscoach van de baansprinters, werd in 2005 wereldkampioen sprint met 51’14 als verzet. „Tegenwoordig rijden zelfs de vrouwen al groter. Elis werd in Rio kampioen met 52’13.”

Volgens Bos is hij de aanstichter van de revolutie in het baanwielrennen, tenminste, hij bracht de Fransen op een idee. Toen hij in 2006 wereldkampioen sprint werd, ook weer in Bordeaux, reed de Franse troef Mickaël Bourgain voor eigen publiek een beroerde kwalificatie over 200 meter. Het ging in 10,4 seconden, Bos reed 10,1. Na afloop dacht Bourgain dat Bos gewonnen had omdat hij een enorm verzet had weten rond te krijgen, terwijl er in werkelijkheid nauwelijks een verschil was. Bos: „Toen hebben ze Bourgain een paar maanden later met een veel zwaarder verzet laten rijden, ergens op een betonnen buitenbaan, zonder publiek, zonder WK-vorm. Reed hij 9,9. Dat was voor de Fransen een openbaring. Tot die tijd had ik het geluk dat niemand dat nog wist. Ik was juist goed in het rijden van een kleine versnelling.” Bos tekende in feite zijn sportieve doodvonnis: in 2007 wist hij de Fransen Bourgain en Grégory Baugé nog net voor zich te houden. Op de WK van Mallorca won hij zijn laatste individuele gouden WK-medaille.

Leg press en squatten

Om een zwaarder verzet rond te krijgen, is meer spierkracht nodig. Het krachthonk is voor de baansprinters een belangrijker onderdeel in het trainingsschema geworden. Leg press, squatten, dat soort oefeningen zijn nu essentieel. Om een idee te geven wat de heren doen: Harrie Lavreysen kon als BMX’er op zijn achttiende al 200 kilo vanuit gebogen knieën naar boven tillen. Dat betekende nog niet dat hij ook meteen een groot verzet kon trappen. „Zeker niet”, zei hij woensdagavond in zijn regenboogtrui. „Daar moest ik nog sterker voor worden.” Hij krijgt nu 220 kilo omhoog. Roy van den Berg kan op die manier 265 kilo aan. In het wereldje is dat extreem, weet Tim Veldt. Opnieuw spant de Duitser Robert Förstemann de kroon, met een squatrecord van 280 kilo.

Ik kan bijna geen broeken vinden. Het is verschrikkelijk

Roy van den Berg

Toch is hard sprinten op de wielerbaan geen kwestie van uitsluitend brute kracht. De been- spieren moeten naast sterk ook snel kunnen bewegen. Volgens Theo Bos ligt in de ideale balans tussen snelheid en kracht de sleutel tot succes op de baan. „Iedereen heeft de versnelling die perfect bij hem past. Neem Jeffrey [Hoogland]. Die kan niet zo snel bewegen, maar krijgt wel een grote versnelling rond. Jaren geleden, toen iedereen nog klein reed, was hij niet zo goed geweest als nu.”

Roy van den Berg is van nature gezegend met enorme plofdijen. Hij hoeft minder aan krachttraining te doen dan zijn collega’s. Voor hem is het zaak die grote spieren in beweging te houden, ze niet te kort en te stram te laten worden. „Voor een toernooi doe ik één keer in de week een gymsessie. Ik moet stretchen en soepel blijven om de pedalen te laten draaien.” Zijn benen mogen om nog een reden niet verder groeien: „Ik kan al bijna geen broeken vinden. Het is verschrikkelijk. Ik heb nu één merk waar aan de binnenkant extra stof zit. De kleermaker maakt ze op maat. Maar een net pak kopen is bijvoorbeeld niet te doen.”

    • Dennis Meinema