Recensie

Treurnis over de snelheid van het leven

Denis Johnson

Deze Amerikaanse schrijver liet vijf verhalen na, die zijn stilistische grootsheid en vertelkracht nogmaals benadrukken.

Toen afgelopen jaar het overlijden bekend werd gemaakt van Denis Johnson (1949-2017), de grootste Amerikaanse stilist van de afgelopen decennia, was nog niet publiekelijk bekend wat de doodsoorzaak was. Inmiddels weten we dat hij het hoofd heeft moeten buigen voor leverkanker, waardoor we óók weten dat hij zich bewust moet zijn geweest van de naderende eindstreep. Die wetenschap doordesemt de verhalen in De gulheid van de zeemeermin, de postume bundel die Johnson heeft nagelaten, en waarin hij nog eenmaal tot grote hoogte heeft weten te stijgen.

De bundel bevat vijf langere verhalen, waarvan ik er twee ‘mindere Johnson’ zou willen noemen, al roepen ze associaties op met Jesus’ Son (1992), zijn baanbrekende bundel zelfkantverhalen. Dat hij geen one trick pony was, bewees hij al met romans over de Vietnamoorlog, over een rouwende professor en over een spoorwegarbeider in het nog wilde Amerikaanse Westen; met non-fictie, toneelstukken en uitmuntende poëzie. En nu met drie ijzersterke verhalen in deze bundel.

Het slotverhaal, ‘Döppelganger, Poltergeist’, is het curieuze verslag van een obsessie met Elvis, of beter: met Elvis’ dode tweelingbroer. Maar ik wil het vooral hebben over het titelverhaal en over ‘Triomf over het graf’, dat ik het liefst van voor tot achter zou citeren, met zo nu en dan een kleine toevoeging van eigen makelij. (‘Zie dan, hoe goed!’) Een liefdesverklaring met een niet-geringe dosis schrijversjaloezie.

Reclameman

De verteller van het titelverhaal is een reclameman in de laatste inning van zijn carrière. De balans is niet rampzalig, maar toch. In de vertaling van Peter Bergsma: ‘Vanochtend werd ik overvallen door zo’n treurnis over de snelheid van het leven – de afstand die ik heb afgelegd vanaf mijn eigen jeugd, de hardnekkigheid van oude spijt, nieuwe spijt, het vermogen van mislukking om zich tot nieuwe vormen te verversen – dat ik de auto bijna in de prak reed.’

Het is een verhaal waarin Johnson scènes en beelden tegen elkaar zet zoals dichters dat met woorden en zinnen doen, ogenschijnlijk arbitrair en intuïtief, maar zó dat tussen de langs elkaar schurende delen de hitte van nieuwe betekenis en emotie wordt opgewekt. Een etentje waarin het verloren been van een veteraan ter sprake komt, waarop de veteraan een vrouw uitdaagt zijn stomp te kussen, wat ze zegt te zullen doen, maar… De eigenaar van een prijzig schilderij die dat schilderij in de open haard gooit, om zijn gezelschap te bewijzen dat het zíjn schilderij is, en dat híj bepaalt, dat híj de macht heeft… Een telefoontje van de stervende ex-vrouw van de reclameman, maar welke?, en de verteller die zegt: ‘Zodra ik de hoorn aanraakte vroeg ik me af of ik hier spijt van zou krijgen, of ik een vergissing in mijn hand hield, of ik deze vergissing naar mijn hoofd bracht en er „Hallo” tegen zei.’ De ex wil de laatste bitterheid uit de weg ruimen; ze zegt hoe graag ze hem vergeven wil, ‘maar ze wist niet of ze dat al of niet kon – ze hoopte van wel – en ik verzekerde haar, vanuit de afgrond van een gebroken hart, dat ik het ook hoopte, dat ik gruwde van mijn ontrouw en mijn leugens over geld, en de manier waarop ik mijn verveling geheim had gehouden, en mijn geheimen in het algemeen, en Ginny en ik praatten, na veertig jaar stilzwijgen, over de vele andere manieren waarop ik haar van haar recht op de waarheid had bestolen.’

Kansen

Berouw, spijt en de verschillende vormen daarvan komen steeds weer terug. ‘Je hebt berouw van de dingen die je hebt gedaan, en spijt van de kansen die je hebt laten lopen.’ In ‘Triomf over het graf’ blijft Johnson dichter bij zichzelf dan hij in zijn proza gewoon was. Het is een vreemd geval, ogenschijnlijk zonder structuur, waarin de verteller – een Johnson-achtige auteur – een vrouw in een restaurant opmerkt die sterk lijkt op de echtgenote van een vriend van hem. Waardoor hij de aanvechting voelt die vriend te bellen. Het is niet de vriend die opneemt, maar diens vrouw, die overstuur is omdat haar man die ochtend is overleden aan een hartaanval. Via een omweg – waarin het onder meer gaat over een knieoperatie en over schrijven (‘Wat je ook overkomt, je zet het op een bladzij, werkt het uit tot een vorm, laat er een licht over schijnen’) – wordt dit een verhaal over sterven. De verteller herinnert zich de collega-schrijver die, in een afgelegen schrijversresidentie in stoffig Texas, de afslag naar de dood neemt. Hij herinnert zich zijn goede vriend Link, voor wie hij in diens terminale fase gezorgd heeft; herinnert zich diens laatste momenten, waarin een dementerende ex-vrouw afscheid komt nemen, een van de mooiste scènes uit de recente literatuur. Vlak daarvoor was Link nog één keer zijn bed uit gekomen om een paar passen door de regen te lopen, op zoek naar ‘de juiste kamer’, die hij gevonden had door dezelfde kamer via een andere deur weer binnen te komen. ‘Link was nat gespetterd maar niet doorweekt toen hij zijn badjas afgooide, in bed ging liggen, me bedankte voor mijn hulp om hem in de juiste kamer te krijgen en onmiddellijk begon dood te gaan.’

En dan is er nog één sterfgeval, het aanstaande. ‘Het zal je duidelijk zijn dat ik op het moment dat ik dit schrijf niet dood ben. Maar misschien wel tegen de tijd dat je het leest.’

Godverdomme, de dood.

Denis Johnson was een poëtisch schrijver, op een manier die taal simultaan de ruwste en de fijnste korrel schuurpapier kan laten zijn. Die een wrang-geestige en ook ernstig duistere wereld kon oproepen. Een stijl zonder zinloos vertoon; een waarlijk dichterlijke stijl waarin de keuze van één woord, één beeld, één anekdote een soms subliem venster op de verwassen wereld opende. Altijd stond die stijl ten dienste van de thema’s die zijn oeuvre bepaalden: het fluisteren van oude wonden, het genadeloze bestaan en de genade die er in de marges alsnog gevonden kan worden. Tot de allerlaatste snik.

    • Auke Hulst