Nederlanders zijn lekker gek, maar wel gewoon

Vier eeuwen debat Het begon met Willem van Oranje en de vraag blijft: wie en wat is de Nederlander? Hij heeft duidelijke karaktertrekken, maar zijn waarden zijn niet typisch Nederlands.

Als in een stripverhaal brengt de 17de-eeuwse schilder Pieter Frits het einde van raadspensionaris Johan de Witt en zijn broer Cornelis in beeld. De moord werd gepleegd door orangisten, aanhangers van prins Willem (III) van Oranje, in het rampjaar 1672. Illustratie Haags Historisch Museum

‘Dé Nederlander bestaat niet.” Zelden riep een uitspraak zo veel weerstand op als dit argeloos uitgesproken statement van koningin Máxima, toen nog prinses, in 2007. Het is ruim tien jaar later en nog steeds bakkeleien we erover: wie is de Nederlander, en ook belangrijk: wie is de Nederlander niet?

Leefbaar Rotterdam organiseerde er vorige maand een discussieavond over, en het debat met nationale lijsttrekkers in het Amsterdamse debatcentrum De Balie ontaardde in emotionele woorden over de stelling of de naam van de Coentunnel gewijzigd moet worden.

Landelijke politici houden het identiteitsvuur al jaren brandend en daar lijkt voorlopig geen einde aan te komen. „De discussie over wat het is om Nederlander te zijn, wat onze historie is, wordt een ijkpunt voor de komende vier jaar”, zei Sybrand Buma in januari tegen het AD.

Gevraagd naar wat die identiteit inhoudt, komen politici aanzetten met een keur aan definities, van abstract tot opvallend specifiek. Vrijheid!, zeggen ze. Homorechten! Het Wilhelmus! De buste van Johan Maurits! Tolerantie! Hamburgers laten aanbakken op de buurtbarbecue!

Die laatste kwam van Halbe Zijlstra, die Nederland tijdens de Algemene Beschouwingen van 2016 als VVD-fractievoorzitter in de Tweede Kamer omschreef als „het land waar je gewoon lekker gek jezelf mag zijn”. Dit was vlak voordat premier Mark Rutte (VVD) met de ‘gewone Nederlander’ kwam – Nederlanders zijn lekker gek, maar wel gewoon.

Wie deze zoektocht gadeslaat, krijgt de indruk dat het hier gaat om een gloednieuw thema – dat zou verklaren waarom men zo langs elkaar heen praat. Maar dat is schijn: de discussie over de Nederlandse identiteit wordt al meer dan vier eeuwen gevoerd.

„Nederlanders waren anders dan de Spanjaarden: niet wreed, arrogant, hebzuchtig”

Wij, vaderlanders

Het begon allemaal met Willem van Oranje, vertelt Judith Pollmann, hoogleraar vroegmoderne Nederlandse geschiedenis in Leiden. Filips II, de toenmalige Spaanse vorst, raakte in conflict met een aantal edelen, onder wie Willem van Oranje. Die ging in ballingschap en broedde op een plan om mensen achter zich te verzamelen. „Hij koos toen voor het etnische argument. Hij zei: degenen die ons nu bedreigen zijn Spanjaarden. Wij, vaderlanders, moeten beschermd worden tegen buitenlandse dreiging en tirannie.”

Oranje verspreidde dit verhaal met pamfletten en liederen, de tweets en vlogs van de 16de eeuw. Hij beschreef de identiteit van de Nederlanders vooral aan de hand van wat ze niet waren, vertelt Pollmann. „Nederlanders waren volgens hem anders dan de Spanjaarden, en dat hield in: niet wreed, arrogant, hebzuchtig en besmet met Moors en Joods bloed. Nederlanders waren vrijheidslievend en wilden hun privileges bewaken; verder was het zelfbeeld bijna niet ingevuld.” Dit verzonnen vaderlandidee kwam goed van pas in de 17de eeuw: de Republiek, die bestond uit zeven soevereine gewesten, had een verbindend verhaal nodig.

Volgens andere historici ontstond het verhaal over de Nederlandse identiteit pas rond 1800, met de opkomst van het nationalisme in heel Europa, zegt Pollmann. En ook de Romantiek speelde een rol: „Die haalde het nationale naar voren als iets wat verschillen tussen mensen verklaart en onafwendbaar maakt. In Duitsland gingen mensen toen nadenken over een Duitse poëtica, een Duitse filosofie, et cetera. Nederland heeft daar ook aan meegedaan.”

In de 19de eeuw bestond een kloof tussen volk en elite in de beleving van de nationale identiteit, vertelt Henk te Velde, hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit Leiden. De liberale elite wilde terug naar de mentaliteit van de Gouden Eeuw, terwijl het nationale gevoel van het volk „minder cerebraal en passioneler” was.

Te Velde: „De liberale elite dacht: als we ons verhaal goed uitleggen aan de bevolking, wordt iedereen vanzelf liberaal. Toen dat niet gebeurde, trok de elite de wijken in. Daar kwamen ze erachter dat bij het gewone volk het orangisme leefde, dat die mensen op nationale feestdagen zelf de wijken versierden.”

Deftige normen

In de ideeën over de nationale volksaard kwam destijds vooral de term ‘burgerlijk’ vaak terug, zegt Te Velde. „In alle opzichten die je je maar kunt voorstellen bij dat woord, zoals de historicus Johan Huizinga in de jaren dertig zei: niet-militair, niet-adellijk, stedelijk, een beetje plat. Het idee van: wij trekken ons niks van die deftige normen aan. De notie van Nederlanders die een soort eigenwijsheid hebben, dat gaat ver terug, al gold dat lang als vooral een slechte eigenschap van de volksklasse.”

Rond 1900 manifesteerde het nationale volksgevoel zich vooral tijdens evenementen als de inhuldiging van Wilhelmina en de viering van honderd jaar koninkrijk, vertelt Te Velde. Die grote manifestaties verdwenen na de Tweede Wereldoorlog, toen nationalisme verdacht was geworden. „Je zag dat bijvoorbeeld aan het huwelijk van Beatrix en Claus in 1966. Het was toen helemaal niet vanzelfsprekend om daar met z’n allen in het oranje gekleed feest te vieren.”

Niet alleen nationalistische manifestaties, maar het hele debat over Nederlanderschap verdween na de oorlog. „De babyboomers verboden het debat over de nationale identiteit”, zegt socioloog Herman Vuijsje. „Het huidige debat is een reactie op die onderdrukking, die in overdreven wijze naar buiten komt. Als die discussie eerder was gevoerd, was die hele Wilders niet zo groot geworden.”

De Nederlandse identiteit is veranderlijk, zeggen ze alle drie. Sommige historici doen „alsof onze identiteit uit het veen van de zompige moerasdelta is opgeborreld” en daarna niet meer is veranderd, zegt Vuijsje. „Maar ik geloof niet in een eenduidige, onveranderlijke identiteit.”

Kijk bijvoorbeeld naar de beroemde Nederlandse tolerantie, zegt Judith Pollmann: „Het is gek om te denken dat er hier altijd al godsdienstvrijheid was. 17de-eeuwers vonden religieuze diversiteit een groot kwaad. Ze konden ermee leven, maar ze vonden niet dat die anderen dezelfde rechten hadden.”

Hetzelfde geldt voor de houding tegenover homoseksualiteit. Te Velde: „Tot in de jaren zeventig was dat niet geaccepteerd. Sinds Fortuyn geldt het als heel Nederlands om te zeggen dat homo’s hier zichzelf mogen zijn en dat dat typisch Nederlands is.”

„Sinds Fortuyn geldt het als heel Nederlands om te zeggen dat homo’s hier zichzelf mogen zijn”

Hysterische Hitler

Daarbij komt dat de identiteit al vanaf Willem van Oranje voornamelijk wordt gedefinieerd ten opzichte van buitenstaanders. In de jaren dertig noemden Nederlanders zichzelf rustig en fatsoenlijk, omdat ze zich vergeleken met de hysterische Hitler, vertelt Te Velde.

Volgens Pollmann verklaren mensen iets tot ‘typisch Nederlands’ als ze denken dat het wordt bedreigd. Dit gebeurde ook met de katholieken in het protestantse Nederland: „Alle argumenten die nu tegen moslims worden gebruikt, zijn in het verleden tegen katholieken gemobiliseerd. Die waren achterlijker, ongeletterd, stelden de paus boven het vaderland en wilden dominantie afdwingen.”

In het Nederlandse zelfbeeld zijn ook continuïteiten. Pollmann en Te Velde noemden al vrijheidsdrang en burgerlijkheid, Herman Vuijsje voegt daar nog wat aan toe. Nederlanders staan bekend om „bepaalde mentaliteiten”, zegt hij: bot, recht voor z’n raap, wars van tierlantijnen.

Ook Vuijsje noemt eigenwijsheid en een anti-autoritaire houding als typisch Nederlandse eigenschappen. „Als je leest over buitenlanders in Nederland, valt het op dat Nederlanders veel directer zijn tegenover hun bazen dan in het buitenland vaak het geval is.”

Er is ook een andere kant, zegt Vuijsje: Nederlanders zijn pragmatisch en passief, neigend naar conformistisch. „Als het om gevoelige kwesties gaat, kijken Nederlanders heel goed om zich heen en pas als alle neuzen dezelfde kant op lijken te staan, veranderen ze hun mening. Daardoor veranderen sociaal-politieke ideeën in Nederland zo bruusk.”

Kortom, de Nederlander is direct, eigenwijs, anti-autoritair, nuchter, burgerlijk, pragmatisch, conformistisch en gesteld op z’n vrijheid. Maar wat opvalt in alle uitlatingen van politici over de Nederlandse identiteit, is dat dit soort karakteristieken niet veel worden genoemd. Vaker gaat het om waarden als vrijheid van meningsuiting, persvrijheid, gelijkheid van man en vrouw en homo en hetero. Typisch Nederlands zijn deze waarden niet – je vindt ze in de hele westerse wereld. Toen Denemarken de bevolking via een internetpeiling een toptien van ‘Deense waarden’ liet maken, stonden daarin bijvoorbeeld vrijheid, gelijkheid voor de wet, seksegelijkheid, de welvaartsstaat, vrijzinnigheid en de christelijke traditie.

Geen wonder dus dat veel politici ‘Nederlandse waarden’ en ‘westerse waarden’ als synoniemen gebruiken. De Nederlander mag dan een eigen karakter hebben, zijn waarden deelt hij met velen over de grens.

Lees ook: ons interview met filosoof Gabriël van den Brink. De discussie over Nederlandse identiteit gaat alleen over ‘voor’ en ‘tegen’. Met zijn nieuwe bundel wil Van den Brink het debat op een hoger niveau brengen.
    • Floor Rusman