Recensie

Met Nescio de Franse natuur in

Met de Boekenweek in aantocht probeer ik me alvast te verdiepen in het thema van dit jaar: natuur. Door me er actief in te begeven, hoop ik op de dansvloer van het Boekenbal, op 9 maart, goed beslagen ten ijs te komen. Je weet maar nooit of je er op een gegeven moment niet in de armen van een bosgeest belandt.

De natuur kan op het Boekenbal van alles en nog wat zijn, beweren de organisatoren van de Boekenweek: flora en fauna, rampen, de onvoorspelbare menselijke aard, een hengstenbal, een rivierenlandschap. Erop uit dus, lezers.

Zelf reed ik daarom door de snijdende kou naar Kortenhoef, met als bijkomend verlangen om schaatsijs te ontdekken. Fietsen of schaatsen, dat is tenslotte de vraag die velen zich dezer dagen stellen. Want als je niet schaatst of fietst, schijn je niet te leven. En die activiteiten verricht je in de natuur. Vandaar mijn veldonderzoek.

En ineens schoten me de fietstochten van Nescio te binnen, die hij in zijn Natuurdagboek zo mooi beschrijft. Dat ik aan Nescio moest denken, kwam ook door het literair-historisch tijdschrift De Parelduiker. In het jongste nummer heeft zijn biograaf Lieneke Frerichs een fijn artikel gepubliceerd over een fietstocht die de 50-jarige Nescio alias J.H.F. Grönloh in 1932 met twee van zijn dochters maakte door Noord-Frankrijk, waar de natuur nog altijd maagdelijk is.

De twee jonge vrouwen hadden hun vader wel een voorwaarde gesteld voor zijn deelname aan die fietstocht, omdat ze wisten hoe graag hij in cafés neerstreek: ‘Pappie, u mag wel met ons mee, maar dan moet u niet overal iets willen drinken.’ Nu dacht ik aanvankelijk dat dit drinken op een jonge borrel sloeg, maar ik verwarde Grönloh met de schrijver A. Alberts, die ook geen café oversloeg. Volgens Frerichs gaf Grönloh zich tijdens zijn fiets- en wandeltochten vooral over aan koffie, om daarmee de natuur ‘aan te lengen’.

Over de etappe van Saint-Omer naar Montreuil-sur-Mer schreef Grönloh aan zijn vrouw: ‘Gisteren werden de heuvels veel hoogerop en af, lange hellingen maar nooit vervelend, telkens een andere wereld maar altijd gouden velden, schoven & stoppels. En bijna geen menschen. [...] En geen opschriften, geen reclameborden, geen zitjes of lolplaatsen, bijna geen auto’s, leeg, leeg en vriendelijk, golvend, soms zwoegden wij naar de wolken. En ’t beste weer, koel, nu en dan zon, prachtige wolken, schaduwen op ’t land, de eenzaamheid zonder verlatenheid.’

Dankzij Grönloh besefte ik ineens weer wat de natuur werkelijk inhoudt. Vooral door dat mooie ‘zwoegen naar de wolken’ en die ‘eenzaamheid zonder verlatenheid’.

Die Franse fietstocht maakte zo’n diepe indruk op de schrijver, dat hij het er een paar jaar later nog over had. Volgens Lieneke Frerichs voelde hij zich toen voor het eerst in het buitenland thuis. Eerder had hij, zo blijkt uit een brief aan zijn dochters, het landschap buiten Nederland altijd ‘min of meer onverteerbaar’ gevonden. Dat deed echter niets af aan zijn voorkeur voor het Hollandse landschap. Voor Kortenhoef bijvoorbeeld. Zo lees ik in zijn Natuurdagboek over het traject waar ik zelf het Boekenweekthema verken: ‘Kortenhoef-Loenersloot. Je kunt er voor mij Zwitserland en Italië en Tyrol voor in ruil krijgen en een gulden toe.’