Recensie

Hoe een buitenbeentje de leegte bestrijdt

Owen Donkers

De romans van deze boeiende verteller gaan over dwarsige karakters met opvallende hobby’s . Dit keer is de hoofdpersoon een vogelspottende schrijver, die met zijn vriendin naar Frankrijk is geëmigreerd en daar zijn weg niet kan vinden.

Wie al eerder iets van Owen Donkers (1977) heeft gelezen, zal niet verbaasd zijn dat ook zijn vierde roman handelt over een buitenbeentje. Ze liggen niet in de goot, zijn personages, maar echt meedraaien of vergenoegd ja-knikken doen ze ook niet. Hun probleem met de gangbare norm wordt veroorzaakt door een gevoelige opmerkzaamheid en gekanaliseerd in een opmerkelijke toewijding aan een opvallende hobby. In eerdere romans was dat honkbal (Calippo cola) of dammen (IJsbrood); nu is er een belangrijke plek voor het spotten van vogels ingeruimd.

Donkers’ boeken zijn studies van dwarsige karakters. Dat komt niet zozeer tot uiting in een uitbundige stijl, want er wordt zakelijk, op het kort-affe af geschreven. Vaak lijkt er in zijn telegramzinnen een woord te ontbreken, alsof hij net even iets eerder dan een ander vindt dat alles al wel zo’n beetje gezegd is wat er te zeggen valt. Als zijn personage, een Nederlandse schrijver, de eer te beurt valt om op tv te verschijnen, lezen we: ‘Of hij wilde meewerken aan een tv-programma. Een literair dubbelportret. Hij de ene helft, een dichteres de andere. De naam van de dichteres zei hem niks. Mij best, antwoordde hij. Als ze hierheen komen.’

Dat ‘hierheen’ is de stad Metz in Noordoost-Frankrijk. Hij verhuisde er naartoe met zijn geliefde, de wetenschapper Paulien. Zij reist dagelijks op en neer naar Duitsland voor onderzoek, wat haar vrije tijd opslokt. Waarom zijn ze dan in Frankrijk gaan wonen? Dat was de droom van de schrijver. Hij bracht er als kind gelukzalige vakanties door en sindsdien plaatst hij het land op een voetstuk. Maar de dagen zijn leeg in Metz. Hij krijgt het Frans maar niet onder de knie en terwijl Paulien alleen thuis komt om te eten en te slapen (de schrijver voelt zich soms haar ‘huisdier’) wil het met schrijven maar niet vlotten.

Saaiheid troef dus, zou je zeggen, maar Donkers heeft weinig context nodig om boeiend te vertellen. Zijn schrijver is een innemende minimalist die in weinig iets ziet, maar veel ziet in het weinige dat hij bewondert. Zo laat hij zich voorzichtig maar oprecht uit over Paulien en ontpopt hij zich, verrekijkend in de bossen, als een aanstekelijk ornitholoog. De dryocopus uit de titel blijkt geen buitenaards of verzonnen wezen te zijn, maar een vogel. De ene na de andere soort kan de schrijver op zijn lijst afstrepen – een handeling die goed past bij zijn naar rubriceren, tellen en schikken neigende natuur. En altijd is er nog wel ergens een nieuw, schuchter exemplaar te ontdekken. Het kijken houdt niet op, het sterkt hem in de gedachte dat er altijd meer te zien is dan je in een leven tot je kunt nemen.

De schrijver is een weinig mededeelzame man. Waarschijnlijk had hij bitter weinig over zichzelf losgelaten als we hem niet al op de eerste pagina onderaan een boom hadden aangetroffen. Hij is gewond, kan zich amper meer bewegen en is overgeleverd aan het doorzettingsvermogen van een achtjarig kind om te overleven. Hij heeft overal zoveel tijd voor genomen, maar nu moet hij zich spoeden om zijn verhaal kloppend te maken. Als de stilte in het bos is teruggekeerd kun je je alleen maar bewonderend verbazen over een compositie die uit zoveel gemeenplaatsen bestaat, maar desondanks raakt aan waar het in een mensenleven over gaat.