Opinie

Er is tóch hoop voor de sociaal-democratie

Politiek Ondanks weglopende kiezers blijft de vraag naar sociaal-democratische politiek enorm, meent . „Ik voorzie voor de sociaal-democratie een schitterende toekomst.”

PvdA-campagne in Dordrecht Foto Phil Nijhuis

De PvdA staat er al een tijdje niet goed voor. De afstraffing bij de Kamerverkiezingen dreunt nog na en de gemeenteraadsverkiezingen staan voor de deur. Toch voorzie ik voor de sociaal-democratie een schitterende toekomst.

Mijn optimisme komt voort uit een combinatie van vrees en hoop. Volg ik de lijn van het erudiete boek Wat op het spel staat van de Duitse historicus Philipp Blom, dan bedreigen ons klimaatverandering en digitalisering van arbeid. Niets minder dan onze democratische en rechtsstatelijke samenleving zou op het spel staan, misschien wel de beschaving. Als de Volkskrant dan ook nog kopt met ‘Ongelijkheid mondiaal richting recordniveau’, moet je oppassen niet in somberte te vervallen.

Misschien dat een gevoel van machteloosheid ook de electorale neergang van de sociaal-democratie verklaart. Een groot deel van de klassieke achterban meent dat zij in de steek gelaten is: de wereld is ten slechte veranderd en de politiek greep onvoldoende in. Twee kwesties dus: kan de sociaal-democratie nog voldoende aanhang overtuigen, en een vuist maken tegen ongelijkheid en andere bedreigingen?

Sociaal-democratie in spagaat

Rond 1980 was de teneur anders. Toen sprak de liberale socioloog Ralf Dahrendorf nog over het einde van de sociaal-democratie. Niet omdat zij failliet was, maar omdat ze door haar eigen succes overbodig was geworden. De verzorgingsstaat was het klinkende resultaat. Nu hebben demografische en maatschappelijke ontwikkelingen de sociaal-democratie in een onmogelijke positie gebracht, hoor je vaak. Zij zou onmogelijk nog tegelijk de belangen van de arbeidersklasse en die van de middenklasse kunnen behartigen. De sociaal-democratie houdt die spagaat niet langer vol, zegt men dan. Daar fietst de opkomende etnische scheidslijn nog eens dwars doorheen.

Toch gloort er hoop. Van de geschiedenis van de sociaal-democratie kunnen we leren dat we niet fatalistisch hoeven te zijn. Er gelden geen ‘historische wetten’. Sinds de jaren zestig werd individualisering als onontkoombare trend beschouwd, die zelfs moest worden gestimuleerd. De door neoliberalen gepropageerde hyperindividualisering is echter geen onvermijdelijk proces, het is bewust politiek aangemoedigd. Denk aan Thatchers „There is no such thing as society”. Door die heiligverklaring wilden neoliberalen hun doel, een zo klein mogelijke overheid, bereiken. Zoveel mogelijk zaken werden tot de verantwoordelijkheid van de individuele burger verklaard. Globalisering was de toekomst. Opnieuw Thatcher: „There is no alternative.” Bij ons sprak Bolkestein in dezelfde lijn: globalisering is het onvermijdelijk gevolg van economische krachten en je kunt je dus maar beter aanpassen.

Burger is ook verantwoordelijk voor gemeenschap

Begrijp me goed: individuele ontplooiing en emancipatie zijn en blijven voor de sociaal-democratie nastrevenswaardig. Ze brachten veel goeds. Maar graag wel met deze notie, beschreven in het PvdA-rapport De weg naar vrijheid uit 1951: koppel ‘verantwoordelijkheid voor de ontplooiing van eigen wezen’ aan ‘verantwoordelijkheid tegenover medemens en gemeenschap’.

De sociaal-democratie raakte vanaf de jaren tachtig in het defensief. Uit angst de boot te missen, en waarschijnlijk ook door gebrek aan historisch besef, ging men de ideeënstrijd met de neoliberalen niet vol aan. Er werd juist meegebogen. De geschiedenis leert echter dat de sociaal-democratie steeds moet tegenhangen wil zij succesvol zijn. Dus in het geweer komen tegen de ongewenste uitkomsten van de kapitalistische route, waaronder ondermijning van de collectieve sociale basis waarop een stabiele democratische rechtsstaat stoelt. Ook globalisering is geen natuurkracht waar de sociaal-democraat zich maar bij heeft neer te leggen.

Lees ook: De toiletjuffrouw redt het niet bij de PvdA

De neoliberale bijbel rept echter niet over ‘bijsturing’. Het credo is ‘aanpassen’ en ‘geen alternatief’. Wat we het flitskapitalisme zijn gaan noemen is overigens niet zomaar ontstaan. Thatcher dereguleerde de kapitaalmarkten. En aan gunstige belastingtarieven voor bedrijven gingen politieke besluiten vooraf. Afspraken die teruggedraaid kunnen worden. Dáár ligt een rol voor de sociaal-democratie, zeker in Nederland.

Er valt dus wel degelijk wat te doen aan ongelijkheid. Het World Inequality Report, de studie achter de krantenkop, constateert dat in 1980 de VS en Europa op hetzelfde niveau van ongelijkheid zaten. Sindsdien nam het op beide continenten toe, maar in de VS vele malen erger. Thomas Piketty, één van de onderzoekers, meent dat de Europese verzorgingsstaten een dempend effect hadden. Ofwel: bijsturen is mogelijk, als je het maar wil. Dat geeft hoop!

Deze tijd vraagt om ideeënstrijd

Het utilitair rendementsdenken hoeft niet meer de boventoon te voeren. Wel menselijke waardigheid en sociale rechtvaardigheid. Uitdagingen als de klimaatcrisis, digitalisering van arbeid, migratie en de kloof tussen laag- en hoogopgeleid kan de sociaal-democratie hierin niet uit de weg gaan. Juist deze tijd vraagt om een ideeënstrijd met het neoliberalisme. Voluit, met concrete plannen die de bestaanszekerheid van mensen vooropstellen. De noodzaak van de sociaal-democratie is enorm.

De vraag ernaar is dat echter eveneens; de onzekerheid bij vele groepen in de samenleving is reëel. PvdA en andere sociaal-democraten: werk aan de schitterende toekomst waar jullie van dromen!