Recensie

Handboek voor de gemankeerde man

Nieuw-rechtse goeroe

12 Rules of Life van de in nieuw-rechtse kringen populaire psycholoog Jordan B. Peterson is meer een zelfhulpboek dan cultuuranalyse. Erachter gaat een zwart wereldbeeld schuil: leven is lijden.

Jordan Peterson spreekt de bezoekers van de bijeenkomst van De Nederlandse Leeuw toe, 19 januari j.l. in Rijswijk. Foto Olivier Middendorp

Één van de invloedrijkste intellectuelen van de westerse wereld, noemde New York Times- columnist David Brooks psycholoog Jordan B. Peterson. De hoogleraar klinische psychologie aan de universiteit van Toronto is in ieder geval erg populair, getuige de tientallen miljoenen kijkers van zijn online lezingen over zaken als het goede huwelijk, uitstelgedrag en het vrije woord.

Ook hier te lande geniet Peterson zekere faam, zoals bij Leon de Winter die in De Telegraaf een column schreef met de titel ‘Er is hoop, hij heet Jordan Peterson’. Peterson trad in januari jl. op bij de conferentie van De Nederlandse Leeuw in Rijswijk en Timon Dias (‘Spartacus’) interviewde hem twee uur lang op film voor GeenStijl.

Peterson richt zijn pijlen op politieke correctheid en identiteitspolitiek. Hij zegt niets te moeten hebben van alt-right, dat niettemin met hem wegloopt vanwege Petersons strijd tegen social justice warriors en linkse academici. Zijn aanhangers noemen hem liefkozend ‘Daddy’.

In zijn recent verschenen boek 12 Rules for Life. An Antidote to Chaos borduurt Peterson voort op eerder werk, Maps of Meaning (1999), en de gevaren van utopisch denken. Als reactie op fascisme, stalinisme en maoïsme zitten we nu met het waarheidswarse postmodernisme. Maar, schrijft Peterson, terwijl verschillende geloofssystemen een conflict onvermijdelijk maken, zijn we zonder bindende waarden overgeleverd aan chaos en betekenisloosheid. Daar moeten zijn twaalf regels weerstand aan bieden.

Leefregels

Één van Petersons lessen luidt: ‘laat kinderen met rust als ze willen skateboarden.’ Het bijbehorende essay gaat over de feminisering van de Westerse wereld en hoe dat jonge mannen in de problemen brengt (die volgens Peterson tachtig procent van zijn publiek op YouTube uitmaken). ‘Jongens lijden in de moderne wereld’, schrijft Peterson. Wat ze bereiken is betekenisloos, want ze zijn nu eenmaal geprivilegieerd in het patriarchaat. In een decennium van seksuele overgevoeligheid zijn het allemaal potentiële daders. ‘Ze zijn niet welkom’, schrijft Peterson, waardoor ze lamgeslagen thuis zitten en hun verantwoordelijkheid niet nemen. Toughen up, aldus Peterson.

Petersons benadering is op het eerste gezicht pragmatisch en richt zich op de ontwikkeling van het individu. Weerbare individuen zijn minder ontvankelijk voor ideologie, maar daarvoor is discipline nodig en een doel: iedere dag een klein stapje zetten naar een beter leven, al is het maar door op tijd op te staan, een eiwitrijk ontbijt te eten of een berg post af te handelen. Dit soort alledaagse adviezen heeft Peterson vast getoetst in zijn praktijk van psycholoog, en behalve dat ze nogal prozaïsch zijn is er ongetwijfeld een groep die gedijt bij deze zelfhulplessen.

Toch ligt aan Petersons leefregels wel degelijk een wereldbeeld ten grondslag. Tegen de postmoderne opvatting in noemt Peterson een leven zonder waarheid de hel. Die waarheid wordt bij Peterson alleen niet wikkend en wegend benaderd, getoetst, gefalsifieerd en opnieuw getoetst, maar opgetrokken uit een vreemde mengeling van biologie en Westerse archetypen. Sociale hiërarchie bijvoorbeeld, volgens Peterson door activisten afgeschilderd als een sociaal-culturele constructie van het patriarchaat, is biologisch en oeroud. Daarvoor haalt hij de kreeft aan, die net als de mens een zenuwstelsel heeft dat serotonine aanmaakt wanneer het dier zich hoog in de pikorde bevindt. Dus strijden we voortdurend om die hogere plek in de pikorde, en zie, dat deden Kaïn en Abel ook al. De wereld is een strijdtoneel.

Lijden

Het centrale uitgangspunt van Petersons levensbeschouwing is dat leven lijden is. Die wijsheid kwam onder meer tot hem in een droom waarin de auteur zweefde onder de gewelven van een kathedraal, precies daar waar dwarsbeuk, middenschip en koor elkaar raken, midden in het kruis dus. Het middelpunt van het bestaan (Peterson schrijft steevast Being, met een hoofdletter) valt samen met het middelpunt van het kruis. Maar ook al is iedereen in meer of mindere mate de dupe; met karakter en strijdlust dient het lot naar eigen hand te worden gezet.

Zelf is Peterson, zo laat hij doorschemeren, een verdienstelijke doe-het-zelver. De eerste regels van zijn auteursbio gaan over zijn kwaliteiten als timmerman, stuntvlieger en wedstrijdzeiler. Peterson beschrijft hoe hij opgroeide (‘raised and toughened’) op de ijzige prairies van Canada, waar het in de winter min veertig is en de plaatselijke jeugd gedurende die maanden de tijd doodt met wiet en flesjes bier. Maar zelfs de prairie is Peterson ‘vijandig’ gestemd. Daaruit vloeit ook zijn visie op het klimaatbeleid voort: ‘The planet is harder on us than we are on it.

Dat Petersons boodschap van lijden en terugvechten zo aanslaat is opmerkelijk. De verslagenheid onder zijn publiek is kennelijk groot genoeg om zich te herkennen in het zwarte wereldbeeld van Peterson. Tegelijkertijd keert hij zich nadrukkelijk tegen het alomtegenwoordige slachtofferschap; van gevoeligheden van minderheden moet hij niets hebben. Het gaat om het individu, niet om wie je bent als onderdeel van een collectief. Daarin is hij niet erg consequent, want hij zet die jonge mannen wel neer als een beknelde groep. Zij mogen zich geen slachtoffer voelen, maar moeten wel weerbaar worden met behulp van een paar assertiviteitstrainingen van Daddy.

Dominee

Ook verdere cultuurkritiek snijdt geen hout. Peterson scheert postmodernisten en marxisten over één kam omdat, volgens hem, voor beide groepen alles een kwestie van macht is. Maar marxisme wordt gekenmerkt door één waarheid en ijzeren zekerheden, terwijl postmodernisme pluralistisch is. Neo-marxisme is bij Peterson hetzelfde als identiteitspolitiek, omdat beide het collectief boven het individu stellen – maar de erkenning van een bepaalde groep en haar belangen is iets anders dan economische nivellering. Dat is nogal gemakzuchtig en daarmee bewijst Peterson de dialoog geen dienst (bovendien treedt hij daarmee zijn eigen regel 10 met voeten: ‘wees precies in je taalgebruik’).

Het debat kan een uitdager van overdreven politieke correctheid en postmodern gedachtegoed goed gebruiken. Maar 12 Rules of Life is meer zelfhulp dan adequate cultuuranalyse en Peterson is meer dominee dan cultuurcriticus. Dat komt niet alleen door de mengeling van levensadviezen, mystieke uitstapjes zoals de hierboven beschreven droom (ook al kan je zoiets een Jungiaanse psycholoog misschien niet helemaal aanrekenen), zijn vage beschuldigingen aan het adres van alles wat ‘postmodern’ is, maar ook door de tendentieuze manier waarop hij de schrijvers en filosofen die hij aanhaalt interpreteert.

Peterson verwijt postmodernisten dat ze de cultuur verkwanselen. Zelf wordt hij geprezen omdat hij het Westers cultuurgoed en de daaruit overgeleverde waarden zo goed weet te verwoorden. En inderdaad, hij put uit een verscheidenheid aan schrijvers: Goethe’s Faust, Dostojevski’s Grootinquisiteur, Nietzsche’s dode God, Kierkegaards sprong naar het geloof, Heideggers Zijn, Yeats’ Second Coming – ze passeren allemaal kort de revue. Maar de wijze waarop Peterson dat allemaal in de mal giet van zijn zeer complete wereldbeeld is nog geen cultuurgoed. Peterson noemt het archetypen. ‘Gemeenplaatsen’ is hier beter op zijn plek.

    • Nynke van Verschuer