De voorzichtige terugkeer van de Nederlandse racefietsfabrikant

Ambacht Grote fietsfabrikanten verplaatsen hun productie naar Azië en dat biedt kleine racefietsbouwers kansen om zich te profileren als ambachtslieden.

Fietsmaker Alex de Kraker is met zijn St Joris Cycles in Eindhoven een eenpitter. Foto’s Merlin Daleman

Het zijn geen bekende namen: Zeal, Scope, Dugast, St Joris, Van Vugt en Fons. Het zijn allemaal kleinere of opstartende Nederlandse ondernemers in de fietsbranche. Een branche waar het middensegment verdwenen lijkt te zijn door de expansiedrift van de twee grote concerns Pon (Gazelle, Union, Cervélo, Focus) en Accell (Batavus, Sparta, Koga). Daarnaast zorgt de concurrentie uit andere landen ervoor dat er slechts enkele middelgrote Nederlandse fabrikanten van racefietsen over zijn gebleven.

Aan de onderkant van de markt groeit het aantal vakmannen met een klein merk. Zo is het maken van de ouderwetse stalen racefiets weer hip. Toen Gazelle vorig jaar 125 jaar bestond en voor die gelegenheid hun klassieke racefietsmodel Champion Mondial opnieuw in een hip jasje wilde uitbrengen, was er geen knowhow en mogelijkheid meer om dat in de fabriek in Dieren te doen. De gewone Gazelle-fietsen worden in de fabriek in Dieren enkel in elkaar gezet.

Gazelle klopte onder andere bij Herman Braun in Spijkenisse aan om de 125 stalen fietsen te laten maken. Braun last al sinds 1983 stalen racefietsframes die hij onder eigen naam in zijn eigen winkel verkoopt. Gazelle kwam er financieel niet uit met Braun en heeft de frames nu elders laten maken. Braun blijft zelf trouw aan zijn filosofie: stalen fietsen op maat van de klant maken: „Iedereen wil wel zo’n carbonfiets waar profrenners op fietsen, maar ik vind het troep. Kartonnen dozen, dat zijn het. Bij het minste of geringste gaan ze kapot. Mijn fietsen gaan een leven lang mee en ze gaan ook nog harder.”

Met de opkomst van aluminium en carbon als materiaal om fietsen van te maken, verdween het ambacht van het maken van een stalen fietsframe uit Nederland. Amsterdammer Lester Janssen leerde het vak van Wim van der Kaaij, de laatst overgebleven framebouwer van het voormalige Amsterdamse racefietsmerk RIH. Toen die overleed ging Janssen verder in de leer bij Peter Serier, ooit bouwer bij het teloorgegane Amsterdamse merk Presto en later vertrokken naar Azië om in de fabrieken van Giant het personeel te leren hoe je een fiets maakt. Serier zegt daar nu over: „Ik ben nog onder de indruk van de wil daar om wereldwijd de grootste fietsproducent te worden. Destijds was de Nederlandse fietsindustrie zelfingenomen. Maar ik denk niet dat Nederland de boot heeft gemist. Tegen China en Taiwan was niks te beginnen. Zij leveren nu de onderdelen die in Nederland in elkaar worden gezet. Wij kunnen enkel nog kennis leveren.”

Naast Presto en RIH zijn de Nederlandse racefietsmerken Zieleman, Van Herwerden, Locomotief en Jabo gestopt met hun productie. Gazelle en Batavus maken ook geen racefietsen meer.

Eenpitters

Lester Janssen is pas begonnen met zijn eigen fietsmerk Lester Cycles. Hij verwacht in een jaar dertig fietsen te kunnen maken en verkopen. Op termijn kan dat aantal volgens hem groeien naar honderd. Janssen denkt hooguit aan het in dienst nemen van een verkoopmedewerker, iemand opleiden om de frames mee te helpen bouwen, lijkt hem te bewerkelijk. Datzelfde geldt voor andere kleine bouwers in Nederland. Ook St Joris Cycles uit Eindhoven en Blacksmith uit Apeldoorn zijn eenpitters. Herman Braun heeft geen personeel buiten zijn zoon Dave die van hem het vak heeft geleerd en inmiddels de fietsen maakt en op termijn de zaak gaat overnemen.

Gérard Vroomen lukte het wel om zijn fietsmerk groot te maken. De Nederlander begon in 1995 met collega Phil White in Canada het racefietsmerk Cervélo. In 2012 werd het bedrijf aan Pon verkocht. Vroomen is inmiddels mede-eigenaar en oprichter van het fietsmerk Open en mede-eigenaar en hoofd ontwerp bij fietsmerk 3T.

Vroomen snapt die ruimte onderaan de markt wel. „De grote fietsfabrikanten laten nog weleens steken vallen. Hun ontwikkeling is stroperig. En dat zorgt ervoor dat de kleintjes weer kansen krijgen. Veel consumenten kiezen veilig voor de grote naam, maar een fiets is ook een manier om je te onderscheiden en dat kan door een kleiner, exclusief merk te kiezen. Daar zit ook een groot deel van het plezier voor de fietser in.”

Het fietsmerk Open begon Vroomen met Andy Kessler, voormalig directeur van fietsfabrikant BMC. Open maakt frames die klanten naar hun eigen wensen kunnen opbouwen, in vorm, kleur, afwerking en zelfs voor verschillende types terrein. Vroomen: „We zijn met zijn tweeën in het bedrijf en dat willen we zo houden. Als je vijftig man personeel hebt, ben je 90 procent van de tijd aan het managen. Wij bellen iedere ochtend en hebben dan in korte tijd alles besproken en besloten.”

Flexibiliteit

Dat merken als Gazelle en Batavus geen racefietsen meer maken, heeft volgens Vroomen met hun logheid te maken. De Nederlandse fietsmerken hebben niet tijdig ingespeeld op de overstap naar carbon. „Het postkantoor heeft ook de e-mail niet uitgevonden”, aldus Vroomen.

De flexibiliteit van kleinere organisaties biedt ook nog kansen voor middelgrote bedrijven, zegt Jan Janssen junior die met zijn broer Pierre het bedrijf van zijn vader, oud-Tourwinnaar Jan Janssen overnam. Het bedrijf was verkocht aan fietsfabrikant Union, maar toen deze failliet ging, kochten de zonen het bedrijf terug. „Onze kansen liggen in de vele opties die we klanten kunnen bieden. Het is ook niet zo dat de schaalvoordelen van de grote concerns ze heel veel kostenvoordelen biedt.”

Het plezier van de fietser zit niet in het iets lichtere fietsframe uit Taiwan, zegt Gérard Vroomen. „Die fietser vindt het veel fijner om te weten dat zijn fiets speciaal voor hem op maat is gemaakt.”

De groei voor de internationale fietsenhandel zit bij duurdere luxeproducten zoals e-bikes. Zowel Accell als Pon, met Gazelle, zijn daar al volop mee bezig. Lees verder: Door bod van Pon wordt e-bikestrategie duidelijk