De geboorte van de staat was een zondeval

Politicologie Met het ontstaan van de eerste staten moest de mens zijn vrije, egalitaire leven opgeven. Dat betoogt politicoloog James Scott in zijn nieuwste boek. Hij vergeet dat ook staten leren.

Koningsgraf in Ur, ca. 2600-2400 v. Chr. Paneel ingelegd met schelpen, rode kalksteen en lapis lazuli. Dieren en vissen worden aangevoerd voor een vorstelijk banket. Ur, een vroeg stadstaatje aan de benedenloop van de Eufraat, ontstond rond bevloeide graanverbouw. Foto C.M. Dixon/Getty Images

Vooruitgangsgeloof is uit, cultuurpessimisme is in. Onze vroegste voorouders die niet aan landbouw deden en geen belasting betaalden, horen we steeds vaker, waren gezonder, vrijer en dus beter af dan wij. Populair-wetenschappelijke boeken die de lezer confronteren met de duistere kant van onze technologische beschaving doen het goed. Zoals Pandora’s Seed (2011), een sombere uiteenzetting van de geneticus Spencer Wells over wat de mens zich op de hals haalde – besmettelijke ziekten, milieuvernietiging – toen hij het jagen en verzamelen vaarwel zei. In The world until yesterday (2012) somt geograaf Jared Diamond op wat we nu nog kunnen leren over gezonde voeding, conflictbeheersing en ouderenzorg van jagers en eenvoudige tuinbouwers in Nieuw-Guinea en het Amazonewoud.

In het najaar voegde een emeritus-hoogleraar politicologie aan Yale, James C. Scott, een verrassend nieuw element toe aan de lijst vermeende beschavingskwalen: de staat. In zijn boek Against the Grain – A deep history of the earliest states, dat juichende recensies kreeg, betoogt hij dat de mens van het rechte pad af raakte toen hij zich ging toeleggen op het verbouwen van graan en een deel van de oogst ging afdragen aan potentaten in de stad. Met de ‘graanstaat’, zegt Scott, ontstonden hiërarchieën van magnaten en priesters en rezen gewelddadige conflicten over hulpbronnen. Scott beschouwt de staat als een arrangement dat de menselijke voetafdruk op het milieu ingrijpend heeft vergroot, ten koste van gezondheid en natuur, gelijkheid en vrijheid. Hij zegt het niet met zoveel woorden, maar hij behandelt het ontstaan van staten als een waarachtige zondeval.

Oorlog in Vietnam

Scott (New Jersey, 1936) ging aan het begin van de jaren zestig politieke wetenschappen studeren in Yale. Het begin van zijn academische loopbaan viel samen met de oorlog in Vietnam. Beelden van brandende dorpen wekten zijn nieuwsgierigheid naar de boerensamenlevingen van Zuidoost-Azië. Hij bracht een jaar door in een Maleisisch dorp en daar ontstond het idee voor zijn klassieker The Moral Economy of the Peasant (1976). De titel ontleende hij aan de Oostenrijks-Hongaarse econoom en historicus Karl Polanyi (1886-1964). Die dacht dat boeren in pre-kapitalistisch Europa van het leven niet meer verlangden dan zelfvoorziening en de bevrediging van basisbehoeften. Hij noemde deze premoderne orde, waarin niemand uit was op luxe en overvloed, een ‘morele economie’.

Scott herkende dat beeld van boeren in Zuidoost-Azië. Die verzetten zich in de jaren 50 en 60 tegen politici in de hoofdstad, Britten en Amerikanen. Zij werden gedwongen te verhuizen naar ‘strategische dorpen’, waar ze minder zouden blootstaan aan communistische agitatie. Deze boeren, schreef Scott, zagen ingrijpen van de staat, koloniaal of postkoloniaal, als bemoeizucht die alleen viel te billijken in het geval van een slechte oogst. De staat moest zich afzijdig houden en boeren hooguit helpen zichzelf te helpen. Maar overheden bleken alleen geïnteresseerd in boeren als belastingbetalers.

Een tweede auteur die grote invloed had op Scotts denken was de Franse antropoloog Pierre Clastres (1934-1977), een kenner van inheems Zuid-Amerika – hij deed veldwerk onder de Aché, jagers en verzamelaars in Paraguay – en gespecialiseerd in staatloze samenlevingen. Clastres was een overtuigd anarchist die vond dat alle politieke gezag op den duur uitdraaide op terreur en speculeerde dat staten, in welke vorm dan ook, voorlopers waren van de totalitaire verschrikkingen van de 20ste eeuw. Hoewel Scott zich nooit zo radicaal uitliet en zijn werk bleef baseren op gedegen onderzoek, werd hij door Clastres op een thematisch spoor gezet dat hij niet meer zou loslaten: staatsonderdrukking en het verzet daartegen van gewone mensen.

Duivelse cyclus

Wie de geschiedenis opvat als permanente wisselwerking van onderdrukking en verzet vraagt zich op zeker moment af hoe deze duivelse cyclus ooit is begonnen, en of die voorkomen had kunnen worden. Om die reden wierp James Scott zich op latere leeftijd op het ontstaan van de eerste staten in het Midden-Oosten. Dat is vanouds het terrein van archeologen en, geeft hij toe, dat is niet zijn vakgebied. Hij introduceert Against the grain als de „verkenningstocht van een indringer”. Bij zijn reconstructie laat hij zich leiden door „inheemse gidsen”, onderzoekers die de afgelopen decennia een nieuw licht hebben geworpen op het begin van landbouw en vroege staatsvorming.

Scott concentreert zich op Mesopotamië. In het zogenoemde „zuidelijke alluvium” tussen Eufraat en Tigris, in het zuiden van het huidige Irak, verrezen vanaf 6.500 v. Chr. de eerste nederzettingen met stenen huizen en tempels, gemeenschappen die leefden van intensieve, bevloeide landbouw met behulp van ploegen. Hij is blij verrast door wat hij in de literatuur vindt, want het weerspreekt wat hij „het vooruitgangsverhaal” noemt. Volgens dat schema gaan mensen landbouw bedrijven en gaan ze om die reden op een vaste plek wonen. Het verbouwde voedsel kan grotere gemeenschappen onderhouden; overschotten maken specialisatie en dus een begin van sociale ongelijkheid mogelijk; er ontstaan steden als centra van eredienst, handel en ambachten, die meer volk aantrekken; en vanuit nieuwe ongelijkheden ontstaan machtshiërarchieën en staten. In die volgorde.

Rijk, natuurlijk milieu

Dat verhaal is verouderd. We weten nu dat jagers en verzamelaars die in de Levant leefden in een rijk natuurlijk milieu, veel rijker en groener dan het landschap van het huidige Midden-Oosten, al rond 12.000 v. Chr. een trekkend bestaan opgaven en een groot deel van het jaar in permanente dorpen woonden. Het ruime voedselaanbod maakte dat mogelijk. Zij begonnen pas rond 7.500 v. Chr. wilde granen aan te planten, een begin van landbouw. En het duurde nog tot 6.500 v.Chr. voor we de eerste aanzet zien tot stedenvorming. De vroegste sociaal gelaagde, belasting innende en ommuurde stadstaatjes, met een vorst, beambten en politiek-economische dominantie over een bescheiden agrarisch achterland, duiken op in het dal van Eufraat en Tigris rond 3.100 v. Chr. Dat is meer dan vierduizend jaar nadat de eerste granen waren gedomesticeerd.

Er gapen in de tijd dus grote gaten tussen de stadia van wat Scott het ‘vooruitgangsverhaal’ noemt, en ook de volgorde klopt niet. Dat wisten we al, maar het bevestigt volgens de auteur dat het „helemaal niet vanzelfsprekend was dat, zodra er met een voldoende voedselaanbod en een sedentaire bevolking voldaan was aan de noodzakelijke technologische en demografische voorwaarden, automatisch staten ontstonden, als de logische en meest efficiënte vorm van politieke ordening.”

Geestdodende routine

Scott betwijfelt of beginnende landbouw vooruitgang betekende. Sedentaire landbouwers hielden honden en schiepen een ecologische niche voor muizen, bedwantsen en andere ongenode gasten. Zij waren hun hele leven „onderworpen aan een geestdodende routine van ploegen, planten, wieden, oogsten en malen, alles voor hun favoriete granen en de dagelijkse behoeften van hun veestapel.”

En de overgang naar landbouw, ontdekte Scott, kwam de gezondheid niet ten goede. Onderzoek aan oud gebeente wees uit dat „de getemde Homo sapiens”, die leefde van granen, kleiner en minder goed gevoed was dan jagers-verzamelaars. Landbouwers leefden dicht op elkaar, waren daarom bevattelijk voor besmettelijke ziekten en hielden de bevolking alleen op peil met een voordien ongekend hoog kindertal.

De vroegste (stad)staten, zegt Scott, draaiden op afgeroomde graanoogsten. Granen rijpen tegelijkertijd en zijn zichtbaar en toegankelijk voor de belastinginner. Dat de zegeningen van de stedelijke beschaving mensen aantrokken, beschouwt Scott als „propaganda” in de geschreven bronnen. De „graanstaat”, schrijft hij, was een „laat-Neolitisch hervestigingskamp”, een onmiskenbare verwijzing naar de strategische dorpen van Maleisië en Zuid-Vietnam.

Dwangsystemen

Scott vindt het moeilijk voorstelbaar dat mensen zich vrijwillig voegden in zo’n benauwd keurslijf en postuleert dat de vroegste staten dwangsystemen waren met overwegend onvrije arbeid. In verschillende vormen: vrouwen waren onderworpen aan patriarchale families, er was horigheid, dwangarbeid voor gestraften en handel in tot slaaf gemaakte krijgsgevangenen. Hij veronderstelt dan ook weerzin bij nog mobiele jagers en herders tegen permanente vestiging.

Slaven in een steengroeve. Detail van een ongedateerd Assyrisch reliëf, British Museum. Foto DeAgostini/Getty Images

Staten waren zo’n 3.000 v. Chr. kleine stipjes in die oude wereld, zowel geografisch als demografisch, omringd door een uitgestrekt landschap van niet-statelijke volken. De Grieken noemden hen later barbaroi, mensen die een taal spraken die in Griekse oren klonk als een onbegrijpelijk ‘bar-bar’. Hun wereld was divers: het waren jagers, eenvoudige tuinbouwers, schaaldier-, knollen- en wortelverzamelaars of nomadische veehouders. Volgens Scott was het goed om een ‘barbaar’ te zijn – voor hem is dat een geuzennaam. Zij betaalden geen belasting, verrichtten geen onvrije arbeid en konden zich vrijelijk verplaatsen. En zij waren in die oude wereld ver in de meerderheid.

De agro-ecologie van de vroegste staten maakten deze formaties broos en kwetsbaar, benadrukt Scott. Allereerst voor epidemieën, als gevolg van de dichte concentratie van gewassen, mensen en vee en hen begeleidende parasieten en ziektekiemen. Bovendien leidden verstedelijking en intensieve bevloeiingslandbouw tot ontbossing, verzilting en overstromingen, waardoor oogsten slonken en hongersnood ontstond.

Een en ander leidde op gezette tijden tot ineenstorting van vroege staten. Dat proces is vaak beschreven als een ‘terugkeer naar donkere tijden’, maar dat vindt Scott onzin. Zijn kampioenen van de vrije wereld, de barbaren, kregen dan immers weer de overhand.

Ambivalente relatie

Toch moet Scott toegeven dat de relatie van barbaren met de staten van het oude Midden-Oosten ambivalent was. Aan de ene kant periodieke plundering, aan de andere kant een levendige handel. Nomadische herders kochten in de stad graan, olie, fijne stoffen en andere luxe goederen en voorzagen de koninkrijkjes van het laagland van onmisbare goederen als metaalerts, ruw hout, huiden, obsidiaan, honing en medicinale kruiden. En zij voerden elders gemaakte slaven aan. Op gezette tijden verrichtten nomadische ruitervolken ook betaalde krijgsdiensten voor koningen. Zo verspeelden zij op den duur hun vrijheid en werden zij opgenomen in de staat.

Scott wil ons doen geloven dat de staat het levenslicht zag met een fataal geboortedefect waarmee hij altijd behept zou blijven. Veel wat hij over vroege staten schrijft klopt. Maar de vraag is: kun je een instituut beoordelen op zijn kinderziekten? Zes jaar geleden schreef de Amerikaanse archeoloog en geograaf Karl W. Butzer (1934-2016) in PNAS een reactie op Jared Diamond en diens apocalyptische boek Collapse. Het is, onbedoeld, ook een weerwoord op James Scott.

Ineenstorting werd zeldzamer

Voorbeelden van complete statelijke ineenstorting, zegt Butzer, zijn zeldzaam en worden zeldzamer in de loop van de geschiedenis. Dat is volgens hem een kwestie van leerprocessen, veerkracht van systemen en aanpassing onder druk, in de vorm van technologische en institutionele vernieuwing. De Zwarte Dood, de grote pestepidemie van 1348-’49, leidde in Europa tot een demografische ineenstorting, maar het sociaal-politieke systeem overleefde de catastrofe. Er waren in de late Middeleeuwen steden ontstaan met kooplieden en handwerkersgilden. Feodale domeinen vielen uiteen, horigheid maakte plaats voor pachtrelaties en zo ontstond een stand van vrije boeren. Daarmee verrezen onafhankelijke centra naast adel en vorsten.

Butzer ziet dit als een fundamenteel verschil in veerkracht met oosterse autocratieën als Ur, Assur en Babylon. Een eeuwenlange cyclus van uitdagingen (klimaat, ziekte, sociale onrust) en aanpassingen leidde ertoe dat West-Europese samenlevingen sinds de late Middeleeuwen niet langer bezweken. Traditionele landbouwmethoden werden herzien en het wegennet werd verbeterd, zodat voedsel kon worden vervoerd naar centra van hongersnood.

In de moderne geschiedenis van West-Europa, zegt Butzer, leidden crises tot systeemaanpassingen. Dat ging gepaard met hoge sociale kosten – de Franse en industriële revoluties eisten veel slachtoffers – maar leidde niet tot ineenstorting van het sociaal-economische systeem.

Butzer ziet geen reden tot doemdenken: „Moderne staten functioneren misschien niet optimaal, maar vergeleken met hun archaïsche voorgangers hebben ze belangrijke voordelen: bestuurlijke ervaring, informatie en een steeds beter opgeleide, mondige burgerij.”

Scott legt de staat langs de meetlat van ‘vrijheid’ en ‘gelijkheid’ en vindt dat hij tekortschiet. Maar die criteria zijn ondenkbaar zonder het lange emancipatieproces waarvan ook hijzelf het product is.