Mensenrechten, een vorm van westers kolonialisme?

Dit jaar viert de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens haar zeventigste verjaardag. Professor Barbara Oomen is warm pleitbezorger. Professor Andreas Kinneging, daarentegen, vindt de verklaring te statelijk en te westers. Een twistgesprek per e-mail onder leiding van opinieredacteur .

De Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties (UNHRC) in Genève. Foto Salvatore Di Nolfi / EPA

Op 10 december 1948 zag de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) het licht. Hoewel immens populair, werd de geldigheid vanaf dag één betwist. Niet alleen door machthebbers, ook door intellectuelen.

Barbara Oomen is BO, Andreas Kinneging is KA. Dit is een sterk bekorte versie van een uitgebreidere dialoog, te lezen op www.nrc.nl/rubriek/twistgesprek.

BO: „Waar ik mij al jaren het hoofd over breek: de aanhoudende populariteit van deze Verklaring. Onder studenten, activisten, eigenlijk iedereen behalve de juristen. Pas recent ben ik de aantrekkingskracht beter gaan zien: in de bezieling, in de compleetheid, in de bondigheid. Wat Churchill zei over het Atlantisch Handvest, geldt ook voor de UVRM: het is een ster, niet een wet. Wat jij, hoe hoog staat de verjarende verklaring aan jouw intellectuele firmament?”

AK: „De mensenrechten zijn de grenzen van het juridische ontstegen en dé westerse ethiek gaan vormen. De westerse mens ziet zichzelf tegenwoordig eerst en vooral als drager van (mensen)rechten. Dat leidt ertoe dat men vooral oog heeft voor wat anderen ons verschuldigd zijn en de neiging heeft te vergeten wat wij hen verschuldigd zijn. Studenten, bijvoorbeeld, zijn goed op de hoogte van hun rechten en er snel bij wanneer die naar hun idee geschonden worden. Maar als je begint over hun plichten — voorbereid op college verschijnen — dan kijken ze je aan alsof ze het in Keulen horen donderen.

Concepten als beleefdheid, moed, trouw en doorzettingsvermogen behoren niet meer tot het centrale morele discours. Centraal staan eenieders rechten. Ten tweede: van origine zijn mensenrechten rechten tegenover de staat. Ze stellen grenzen aan wat de staat mag doen. Maar sinds de jaren ’80 worden mensenrechten steeds meer uitgelegd als rechten van de ene mens tegenover de andere. En wie dient die rechten te waarborgen? De staat! Die is noodzakelijk, maar tegelijk de gevaarlijkste organisatie ooit door de mensheid bedacht. Bedenk eens hoe vaak staatsmacht ontaardt in onderdrukking. Voorheen lag de nadruk op vrijheidsrechten en nu op gelijkheidsrechten. Die nadruk is niet kosteloos. Gelijkheid kan slechts worden bevorderd door de vrijheid in te perken. Een socialist zal daar geen moeite mee hebben. Voor hem is de gelijkheid hoger dan de vrijheid. Voor mij niet. Ten derde: mensenrechten hebben bij ons christendom vervangen als religie. Dit evangelie wordt mondiaal met geld en wapens uitgedragen. Ik kan dit niet anders zien dan als een nieuwe vorm van kolonialisme.”

BO: „Te weinig over plichten, te staatscentrisch, te westers – dat zijn klassieke kritieken. Toch lees ik in de UVRM wel degelijk plichten, als echo van Gandhi’s kattebelletje aan de opstellers: ‘Alle rechten verdien en behoud je vanuit je plicht tegenover de gemeenschap.’ Ook dat staatscentrische zie ik niet: het is een Universele, niet een Internationale Verklaring. De preambule benadrukt de rol van ieder individu en, in mooie gedragen taal, ieder orgaan van de gemeenschap. Het valt mij in dit licht juist op hoeveel van onze studenten bereid zijn zich in te zetten voor mensenrechten, ver weg en dichtbij.

De staat is noodzakelijk, maar tegelijk de gevaarlijkste organisatie ooit door de mensheid bedacht

En dan dat ‘westerse’. Die lezing gaat voorbij aan hoe juist de landen uit het Zuiden de mensenrechten op de agenda van de Verenigde Naties kregen. Hoe de Indiase Hansa Mehta, de Chinese Peng Chun Chang en de Libanees Charles Malik meedachten met de Commissie die onder leiding van Eleanor Roosevelt de UVRM opstelde. Zoals Jacques Maritain destijds schreef: „Wij kunnen het allemaal eens zijn over het feit dat mensen rechten hebben, op voorwaarde dat wij niet beginnen over het waarom.” Daarnaast: activisten in Zimbabwe geven hun leven echt niet voor een westers ideaal. Mensenrechten zijn inmiddels, om met professor Ignatieff te spreken, de morele lingua franca van onze wereld. Niet perfect, maar cruciaal voor de communicatie.”

AK: „Die claim is onjuist: het is de taal van sommigen, van een luidruchtige mondiale minderheid. Als nieuwe religie heeft het vervelende consequenties. Ik mis de aloude plichts- en deugdethiek: alleen wie deugt, doet zijn plicht en misbruikt zijn rechten niet.”

BO: „Die ethiek komt er wel degelijk in voor, juist dankzij niet-westerse onderhandelaars. Afgezien van de bijbel, is geen document in meer talen vertaald. 25 jaar geleden, in Wenen, onderschreven alle 171 lidstaten van de VN nogmaals de UVRM. Niets geen schreeuwende minderheid. De ‘morele lingua franca’ vormt de basis van gesprekken over de rechten van mensen met een handicap, van minderheden, van het recht op voedsel. Vernieuwing komt uit het Zuiden. Wie mensenrechten afschildert als Verlichtingsdenken van een westerse minderheid, leeft in 1948 en niet in 2018.”

In een martelkelder verdwijnt ieder cultuurrelativisme

AK: „De Amerikanen spreken overwegend over burgerrechten, niet over mensenrechten. Een fundamenteel verschil. Islamitische landen zijn georiënteerd op deugd en plicht. Ook de ‘asian values’ hebben een dergelijk karakter. Dus, nogmaals, hoezo lingua franca?”

BO: „Mensenrechten zijn minimumnormen en fungeren als steenkolenengels: net genoeg om elkaar te begrijpen. Een taal om lokaal in te vullen, waarmee je de staat vraagt te stoppen met martelen, meisjes naar school te laten gaan of treinen toegankelijk te maken voor rolstoelgebruikers. Wie de minste mensenrechten geniet, ziet het duidelijkst het belang. In een martelkelder verdwijnt ieder cultuurrelativisme al snel.”