Recensie

Prachtig vlees, maar wat is de rol van de keuken?

Foto Walter Herfst

Op de een of andere manier was de naam Vleeschcafé Meat bij mij blijven hangen, misschien omdat het zo’n eenduidige naam is die geen ruimte laat voor misverstand. Ik meende me te herinneren dat mijn vrouw me een keer had gewezen op de zaak als mogelijk onderwerp voor deze rubriek en boekte ten langen leste een tafeltje.

Op de website las ik dat de horecaslagers Nice to Meat en Piet van den Berg de leveranciers van het vlees zijn, wat mij vertrouwenwekkender voorkwam dan zinnen als: „een goed huwelijk tussen het vlees en de kwaliteit”, „personeel met een flinke dosis eigen persoonlijkheid” en „samen met de passie voor smaak, kennis en goede bereidingen van de producten willen wij je imponeren en inspireren” (nog afgezien van het tenenkrommende Nederlands).

Vleeschcafé Meat is gevestigd op de hoek van de Oude Haven en het Haringvliet. De website rept van „een oud gebouw, maar met veel potentie!” Het kwartier waartoe ook de kubuswoningen behoren, werd in de jaren tachtig neergezet naar ontwerp van Piet Blom en staat er dus al zo’n dertig jaar, maar om nu te spreken van een oud gebouw… Op de website, die grossiert in uitroeptekens, wordt verder gewag gemaakt van een verbouwing tot „de leukste, gezelligste en lekkerste zaak van Rotterdam!”

We zijn er op een koude zondagavond en kijken om ons heen. Boven ons een glazen afdak, de spanten rustiek opgeschuurd. Het zijraam geeft uitzicht op een spelonkachtige doorgang, door de andere vensters kijk je op de Oude Haven. We zitten aan een verhoogde tafel, mijn vrouw op de getimmerde bank met kussens van runderbont, ik op een kruk op hoge poten. Naast ons gloeit een elektrisch kacheltje. Tegen de achterwand hangt een potsierlijk schilderij van een stier. Studentikoos is het woord dat zich opdringt.

Op de kaart uiteraard vlees, maar ook mosselen en een groententaartje, beide als voor- en als hoofdgerecht. Ze doen bij Meat niet per se aan regionaal, want het vlees komt uit Amerika, Nieuw-Zeeland en Australië en, maar dan heb je het over het Maas-Rijn-IJsselrund van Van den Berg, uit Berkel-Rodenrijs.

Mijn vrouw neemt de loempia eend (9 euro) en de kogelbiefstuk van Piet (200 gram, 23 euro), ik prefereer de steak tartare (9,50 euro) en de ook 200 gram wegende Meat’s steak, een wisselend stuk vlees – vanavond is dat longhaas die voor 20,50 euro op de rekening figureert. We bestellen er een fles tempranillo (35 euro) bij, een uitstekende keuze, al zeggen we het zelf.

Geen kwaad woord over de tartaar, op flinterdun gesneden biet een mooi rondje gehakt vlees met ui en kappertjes onder een toef rucola en een kwarteleitje, alles goed op smaak en van een prettige structuur. Ook de loempia valt in goede aarde. Toch bekruipt me het gevoel dat noch de tartaar, noch de loempia in eigen keuken tot stand kwam: als ik de serveerster vraag of het vlees met het mes is gehakt of door de molen gehaald, zegt ze dat het ‘zo’ wordt aangeleverd.

Bij de hoofdgerechten rijst het vermoeden dat ook hier de rol van de keuken beperkt was. Laat ik beginnen met te zeggen dat er prachtig vlees werd geserveerd, in het geval van de longhaas rood zoals gevraagd; de kogelbiefstuk is meer rosé uitgevallen. Het is heerlijk.

Maar de sauzen (à 3 euro) zijn niet goed. De béarnaise is te vet, heeft nauwelijks structuur en is vloeibaar waar hij lobbig had moeten zijn. In de saus van shropshire-blue, een blauw kaasje uit Engeland, herkennen we geen blauwe kaas: het is een wat dikkige bruine jus, tamelijk zout. Hier valt het „huwelijk tussen het vlees en de kwaliteit” jammerlijk uiteen. Waarbij ik nog moet opmerken dat het bijgerecht, een bietsalade, uit een te koude koelkast kwam.

Met mooie ingrediënten werken vraagt net iets meer, eh, passie.

    • Frank van Dijl