Commentaar

Gif in debat over Armeense genocide zit bij fractie van Denk

Dat de bijna unaniem aanvaarde motie waarin de Tweede Kamer zich vorige week uitsprak voor erkenning van de Armeense genocide tot heftige reacties in Turkije zou leiden was te verwachten. De vraag of er in 1915 sprake was van een doelgerichte volkerenmoord door de Turken op Armeniërs en Assyriërs ligt daar nu eenmaal uiterst gevoelig. Waar Turkije stelt dat het gaat om oorlogsslachtoffers, wordt van Armeense zijde gezegd dat het gaat om genocide. Van beide kanten wordt het debat gevoerd met een overvloed aan emotie.

Al voordat het debat in de Tweede Kamer over de kwalificatie van de gebeurtenissen in 1915 werd gehouden, was de Nederlandse tijdelijk zaakgelastigde in Ankara op het Turkse ministerie van Buitenlandse Zaken ontboden om een officieel protest in ontvangst te nemen. Voor de diplomaat bleek dit een goede gelegenheid om kenbaar te maken dat het Nederlandse kabinet een ander standpunt hanteert dan de Tweede Kamer. Het kabinet blijft ook na aanvaarding van de motie spreken in neutrale bewoordingen over ‘de kwestie van de Armeense genocide’.

Daarentegen zal over twee maanden voor het eerst in de geschiedenis een lid van het kabinet de jaarlijkse herdenking van de massaslachting uit 1915 in de Armeense hoofdstad Jerevan bijwonen. Maar zo benadrukte minister Sigrid Kaag (Buitenlandse Zaken, D66) in de Tweede Kamer, deze aanwezigheid betekent niet dat het Nederlandse kabinet hiermee uitspreekt dat er sprake is geweest van genocide.

Het blijft een ingewikkelde figuur: wel met een politiek verzwaarde afvaardiging bij de herdenking van de genocide zijn, maar niet uitspreken dat het genocide was. Nederlandse coalitiepolitiek kan voor het buitenland inderdaad wel eens ingewikkeld zijn. Want deze politieke tangconstructie komt voort uit het regeerakkoord als gebaar aan coalitiepartner de ChristenUnie, die al jaren ijvert voor een erkenning van de Armeense genocide.

Met de aanwezigheid van zowel mensen uit de Armeense als de Turkse diaspora heeft het genocidedebat ook in Nederland ook een zware lading. Tweede Kamerleden dan wel kandidaat-Kamerleden hebben dat al eerder ondervonden. Zo werden in 2006 kandidaten van Turkse komaf die weigerden de Armeense genocide te erkennen van zowel de CDA- als de PvdA-verkiezingslijst verwijderd.

In een zo gepolariseerde omgeving hoeft het geen verbazing te wekken dat de driemansfractie van de partij Denk – de enige die zich vorige week in de Tweede Kamer uitsprak tegen de erkenning van de Armeense genocide – de uitslag van de stemming maximaal voor eigen gewin zou uitbuiten. Fractieleider Kuzu manifesteerde zich niet voor de eerste keer als een verlengstuk van de Turkse staat door voor de Turkse televisie te eisen dat Kamerleden met een Turkse afkomst rekenschap zouden afleggen voor hun stemgedrag. Het is olie op het vuur in een toch al verhit debat, en onverantwoordelijk gedrag van iemand die zegt de integratie te willen bevorderen.

Lees ook deze column van Lamyae Aharouay: De verruwing en verharding van Denk

Dat in de Turkse pers de vijf Kamerleden met Turkse wortels die zich uitspraken voor erkenning van de Armeense genocide als „landverraders” zijn betiteld, zou met enige ruimhartigheid nog persvrijheid kunnen worden genoemd. Zo bezien zijn de protesten van de fractievoorzitters van VVD, SP en GroenLinks en van Kamervoorzitter Khadija Arib die de aanval in de Turkse media „onacceptabel” noemen dan ook verkeerd geadresseerd. Het gif zit dichterbij: bij de fractie van Denk.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.