Recensie

Fernand Léger heeft ons in 2018 nog van alles te vertellen

Beeldende kunst

Alles is mogelijk om gemaakt te worden. Op elk materiaal kun je schilderen en geen onderwerp is te groot of te banaal. De Franser schilder Fernand Léger stierf in 1955, maar heeft ons in 2018 nog van alles te vertellen. „Schoonheid is overal.”

Fernand Léger, ‘Le Pont du remorqueur’ (1920, 96,5 x 130 cm) Foto Bozar

Hij is zo iemand van wie je denkt: die kennen we toch allang? Wat kan een tentoonstelling nog toevoegen aan dat wat al bekend is over deze mastodont onder de mastodonten? Alles wat hij heeft gemaakt, geschreven, gedacht, is vastgelegd, in partjes gesneden en onder het vergrootglas bekeken en besproken.

Wat, kortom, heeft Fernand Léger, zoon van een Normandische veehandelaar, lid van de internationale avant-garde in de eerste helft van de twintigste eeuw, aardbewoners anno nu nog te vertellen?

Het antwoord is: veel. Op een groot retrospectief in Bozar, het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten, blijkt dat Fernand Léger (1881-1955) niet alleen de maker blijft van iconische werken, zoals het kubistisch ontwrichte La Partie de cartes (1917) of het biomorfische La Partie de Campagne (1953). Hij is daarnaast een kunstenaar die nog steeds doet tintelen omdat hij nooit ophoudt, altijd experimenteert, samenwerkt met makers uit theater, film, muziek en architectuur. Hij maakt vrij gebruik van wat hij om zich heen ziet (en daar eindeloos over ouwehoert met zijn vrienden Brancusi, Duchamp, Baumeister, Cendrars, Le Corbusier). In zijn atelier - een complete kunstacademie – leidt hij honderden kunstenaars op, onder wie Louise Bourgeois die door hem op het pad van het beeldhouwen raakt. Tussendoor schrijft hij veel en scherp.

Fernand Léger, ‘Partie de campagne’ (Deuxième état, 1953, 130,5 x 162 cm)

Foto Centre Pompidou

Schoonheid is overal

Bozar bestaat tachtig jaar en viert dit samen met het Parijse Centre Pompidou, dat veertig jaar geleden open ging. De expositie Fernand Léger – schoonheid alom is het klapstuk van het jubileum in Brussel. Die wat slome subtitel is ontleend aan een beroemde uitspraak van Léger uit 1924: ‘Het schone is geen aparte, hiërarchische categorie. „Schoonheid is overal” zei Léger in 1924. „In de orde van een reeks pannen tegen een witte keukenmuur net zo goed als in een wit museum.” Zo kijkt hij tegen de wereld aan. Alles wat zich in moderne tijd aanbiedt, kan als motief worden gebruikt. Niks is te armetierig of populistisch: Of het nu een fabriekspijp betreft of een steen gevonden op het strand, een bolhoed of een flapschoen, een dekschuit of een fietswiel, een reclamebord of een acrobaat van rubber – Léger verwerkt zijn indrukken in contrasterende vormen en kleuren die diepte suggereren maar nooit diep zijn.

Hij evolueert van impressionist (na de kennismaking met Brancusi in 1908 zet hij het meeste van dat werk bij het grof vuil), tot fauvist, kubist, dadaïst, surrealist tot, na de Tweede Wereldoorlog, socialistisch-realist. Maar aan al die categorieën heeft hij, terecht, een broertje dood. Hij schildert op alles wat maar te vinden is: linnen, een juten lap, een muur, een overhemd, een jurk, een theaterdoek, een blad papier of celluloid. Alles mag gebruikt worden. En daarin is hij nog steeds hedendaags.

In Brussel is niet gekozen voor een chronologische opzet, maar voor zes thematische invalshoeken. Dat is een gouden keuze, want daardoor wordt het mogelijk diep in te gaan – wat ook gebeurt – op bijvoorbeeld de dynamiek van het schrift in Légers werk, de invloed van nieuwe reclameborden, machines (het kanon), of de fascinatie die hij had voor film.

Fernand Léger en Dudley Murphy, ‘Le Ballet mécanique’ (1923-1924, Photogramme, stomme 35 mm zwart-wit, duur 19.50. Foto Centre Pompidou

Zijn Ballet Mécanique uit 1923 – in zijn totaliteit getoond - is nog steeds een knettergek, experimenteel drama waarin alle trucs en stijlmiddelen van de net opgekomen cinematografie ten volle worden geëxploreerd. En extra: met de schilderijen en tekeningen direct om de hoek kun je zien hoe de gefilmde abstractie terugkaatst op doek en papier, en omgekeerd, hoe vormen waar Léger zijn leven lang verliefd op blijft (het wiel) terugkomen in de film.

De catalogus - een majestueus prachtwerk dat doet verlangen naar de tijd dat dergelijke publicaties ook in Nederlandse musea werden uitgegeven - versterkt de inhoudelijke insteek van de tentoonstelling.

Fernand Léger, ‘Les Constructeurs’ (définitif, 1950, 301 x 218,6 cm)

Musée national Fernand Léger, Gérard Blot / RMN-GP

Picknickkleed

Léger strijdt zijn leven lang tegen het sentiment, tegen verhalen en anekdotiek in de kunst. In 1938 schrijft hij: „De strijd tegen het onderwerp duurt al een eeuw [...], de bevrijding (wordt) steeds algemener. Mijn reactie op de destructie van het object: proberen het object te redden. Ik heb hard gewerkt om het helemaal vrij te krijgen, om er een constructieve waarde gelieerd aan een gekleurde ruimte van te maken.” In dat streven slaagt hij, maar op paradoxale wijze. Ontroering en objectivering gaan bij Léger hand in hand.

Dat blijkt goed in Le Pont du remorqueur – een minder bekend doek uit 1920. Het ‘verhaal’ rond dit schilderij is eenvoudig: een schipper ploegt met zijn dekschuit stroomopwaarts de rivier op; de oevers zijn gevuld met fabrieken, bebouwing, verkeersborden, alles moet snel. Légers verbeelding van deze vertelling is als een felkleurig picknickkleed dat voor jou als kijker wordt uitgespreid. Neem plaats en zie hoe konische vormen, halve cirkels, vierkanten, rechthoeken, driehoeken en arabesken botsen en buitelen. Je herkent een mannetje – opgebouwd uit glanzend grijze kachelpijpen -, een stuk reling, een gestileerde rookpluim, een groene welving van een heuvel, schoorsteenpijpen en roze stukjes kabbelend water.

Alles is her en der. Lijn, kleur en vorm zijn in perfecte harmonie onthecht. Le Pont du remorqueur doet je de wereld ervaren alsof je er hoog boven vliegt en er tegelijkertijd middenin zit. Alles is mogelijk om gemaakt te worden, lijkt Léger met dit schilderij te zeggen. Maar alleen als je de elementen zo tegen elkaar aan zet als hij doet. Alleen dan ontstaat er een evenwicht en een stilte in de compositie die contrasteren met datgene waarvan je denkt dat het modern is.

Fernand Léger, ‘La Lecture’ (1924, 113,5 x 146 cm)

Foto Centre Pompidou