Column

De politie moet beter leren praten

Japke-d. Bouma schrijft wekelijks over de taal die ze om zich heen hoort. Deze week: politietaal deel twee.

Oké, oké, oké. Vorige week was ik misschien wat té enthousiast. Toen schreef ik over de archaïsche taal die de politie gebruikt en dat ik daar zo van hou. Verdachten die „worden aangetroffen in hun woning”, „manspersonen” die „staande gehouden worden” en „voertuigen welke zich in tegengestelde richting bewegen”: dat is toch heerlijk.

Nou nee, meldde Cees Sjouwerman zich meteen bij me op Twitter. Hij is politiedocent en probeert dat soort taal de agenten juist áf te leren. Of ik dáár liever eens aandacht aan wilde besteden.

Want hoezo ‘aantreffen’. „Zeg liever dat je iets rook, zag, voelde, hoorde of proefde”, zegt Sjouwerman. „Dat is duidelijker.” ‘Manspersonen’ slaan natuurlijk al helemaal nergens op, het verwijzend voornaamwoord ‘welke’ moet sowieso verboden worden en je in ‘tegengestelde richting bewegen’ is écht veel te veel categorie-bijbel, vindt hij.

Dat geldt trouwens voor meer politietaal, zegt Sjouwerman als ik hem aan de telefoon spreek. „Geen flauw idee waarom, maar dan schrijven collega’s in hun proces-verbaal dat ‘heden voor mij verscheen, een vrouw die verklaarde dat haar fiets gestolen was’. Alsof de fiets van de heilige maagd Maria gejat is.”

Net als ‘ter terechtzitting’. „Dat is gewoon in de rechtszaal.” Of ‘aldaar’ en ‘derwaarts’. „Dat is ‘daar’ en ‘daarheen’.” ‘Bevinden’ vindt hij ook te vaag. „Zeg liever dat er iets hing, zat of stond, dat is specifieker.” Of: ‘We begaven ons naar het opgegeven perceel’. „’Begeven’ is gewoon ‘gaan’. En ‘perceel’ is een stuk grond. Zeg liever wáárheen je gaat.”

Sommige agenten schrijven: ‘heden verscheen voor mij’. Alsof ze het over Maria hebben

En dan deze: ‘Ik zag dat de manspersoon zijn rechterarm naar achteren bracht, zijn hand tot een vuist balde en die kennelijk met kracht in de richting van mijn gezicht stootte waarna ik voelde dat zijn rechtervuist mij op de neus trof en ik pijn voelde’. „Kom op zeg! Zeg gewoon dat hij je een klap op de neus gaf en dat het pijn deed. Dat is echt hetzelfde.”

Volgens Sjouwerman is al die ouderwetsche taal ooit begonnen bij een veldwachter met snor die tegen een fietser zei: ‘Zo mevrouwtje, waarom hebben wij geen licht op onze fiets?’ Daarna is die taal generatie op generatie agenten doorgegeven. Lastig om uit te bannen, zegt Sjouwerman. „Want het is tegenwoordig ook een soort geuzenjargon.”

Sjouwerman laat zich er niet door afschrikken en grijpt met zijn papieren machete genadeloos in. Zeker als hij leest: ‘Ik rook dat de adem van de man riekte naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank’. „Hoezo ruik je iets dat riekt? En inwendig gebruik? Zeg gewoon dat je drank in zijn adem rook.”

Kan je niet beter zeggen dat de man dronken was? Nee, dat ook weer niet, zegt Sjouwerman. Want het kan ook nog zo zijn dat hij een fles whiskey over zich heen gooide en toch zo nuchter is als een kalf. „De politie moet zich bij de feiten houden.”

Daarom blijven sommige archaïsche woorden nodig bij de politie. Het woord ‘woning’ bijvoorbeeld. „Want ‘huis’ kan ook een gebouw zijn. Pas als je woning zegt, weet je dat het gebruikt wordt voor bewoning.” Of ‘ter plaatse’: „Daarmee zeg je heel kort en precies dat je op de plek bent waar het gebeurt of gebeurde.” En stoffelijk overschot? „Dat klinkt minder hard dan lijk.” Zo zal er dus weliswaar minder politietaal overblijven als het aan Sjouwerman ligt, maar zal er wel altijd íéts van blijven bestaan. En dat stemt deze dochter van twee dienders dan toch weer vrolijk.

Taaltips via @Japked op Twitter.