Recensie

De historische roman vereist bingelezen

Jan van Aken en Miquel Bulnes

Twee vuistdikke romans die zich afspelen in de middeleeuwen verplaatsen je naar een andere wereld, die tegelijkertijd de onze is.

Alan Sorrell: reconstructietekening uit de jaren zestig van Fountains Abbey, de kloosterruïne uit de 12de eeuw in North Yorkshire, Engeland Foto Getty Images

Historische romans van 626 of 683 bladzijden zijn geen gewone boeken. Dat is geen waardeoordeel; maar zulke boeken vergen een andere leeshouding dan romans met de gebruikelijke tweehonderd- of driehonderdzoveel bladzijden. Meer tijd natuurlijk, meer toewijding, meer overgave. De indommelende kwartiertjeslezer kan er maar beter niet aan beginnen, dat schiet niet op, en cruciale details ben je drie weken en een schamele honderd bladzijden na het begin al weer vergeten. Dit vereist bingelezen.

Nu geldt de voorwaarde van zitvlees voor álle dikke boeken, maar de historische roman vraagt bovendien een bereidheid om je te verplaatsen in een andere wereld. In een tijd waarin andere wetten en normen golden, andere gewoontes heersten, andere verhalen verteld werden dan de herkenbare van alledag. Tegelijk is het verraderlijk genoeg wel ónze wereld – zodat, net als in science fiction, de verschillen betekenisvol zijn. Beginnen aan een dikke historische roman voelt dus als het vertrekken op een lange reis. Of als het betreden van een kathedraal. Of als het aangaan van een lange vriendschap. Idealiter allemaal tegelijk.

De Nederlandse literatuur kreeg er onlangs twee van zulke boeken bij: De ommegang van Jan van Aken en Reconquista van Miquel Bulnes. Ze spelen beide in de middeleeuwen, in de 13de en 11de eeuw respectievelijk, en ver buiten de Nederlandse landsgrenzen: Bulnes bestrijkt het Iberisch schiereiland, Van Aken laat zijn hoofdpersoon reizen van Noord-Engeland naar Parijs en Bologna, via de kust van de Zwarte Zee tot diep in Azië en terug naar de voet van de Alpen. Verder zijn de verschillen groot. Om er maar niet omheen te draaien: om Bulnes’ roman te waarderen moet je een liefhebber zijn, Van Aken (1961) schreef een roman waar je vanzelf liefhebber van wordt.

Het begint allemaal met de verteller: in De ommegang, Van Akens zevende roman, maken we kennis met Isidoor van Rillington, als hij, nog zonder die naam uiteraard, te vondeling gelegd is bij een klooster in Noord-Engeland, waar hij door de poortwachter wordt opgevoed. Als knaap leert hij lezen in de kloosterbibliotheek – en daarmee begint het leven pas echt, want zo, lezend, opent zich de wereld voor hem. (En je voelt als lezer meteen: deze roman wordt een grote metafoor voor het leven van een lezer.)

Om alle gelezen woorden en opgedane kennis niet te laten vervluchtigen, bekwaamt Isidoor zich in de methode die wij nu kennen als het geheugenpaleis: een onthoudtechniek waarbij je een bekende ruimte aankleedt met beelden die voor de gememoriseerde feiten staan. Het geheugen onthoudt nu eenmaal gemakkelijk beelden, dus als de feiten in ruimtes vastgelegd worden, bouw je een encyclopedie van kennis, die geen grenzen kent. Voor het onderhoud van die kennis trekt Isidoor zich, zijn hele leven lang, geregeld terug in zijn hoofd: om zijn ‘ommegang’ te maken, te flaneren door zijn wereld van imaginaire kenniskathedralen en zich te wentelen in alle boeken die daar woordelijk opgeslagen liggen.

Daarom kon zijn verhaal ook zo lang worden en Van Akens boek zo dik: niet omdat in De ommegang complete boeken gereciteerd worden, dat gebeurt geenszins, maar omdat hij detail na detail wist op te slaan in zijn hoofd. Rijkdom bezit diegene die zich veel herinnert. In een aardedonkere kerker richt Isidoor zich tot een onbekende medegevangene, van wie je je afvraagt of hij in de roman wel bestaat, of dat wij, de lezers in een onzichtbare toekomst, het misschien zijn. Hij vertelt over zijn leven, reizen, ambities en gedachten, die uiteindelijk leidden tot zijn opsluiting. Die manier van vertellen bepaalt de kracht van De ommegang: de verteltoon is uitwaaierend en tegelijkertijd beperkt en persoonlijk.

Belastingprobleempje

Zo’n verteller heeft Reconquista niet. In de historische roman van Miquel Bulnes (1976) ligt de nadruk op de historie: met stambomen van vorstenhuizen, een schets van de machtsverhoudingen op het Iberisch schiereiland, en een handvol personages die we afwisselend volgen. Pas na honderd bladzijden is de proloog ten einde, pas na honderdvijftig bladzijden ontwaar je de rode draad van het verhaal: de scheiding van de Noord-Iberische Castiliaanse neven Eloy en Carmelo tijdens hun bezoek aan Sevilla, dat in handen is van de Andalusisch-Arabische machthebbers. Er ontbrandt onmin om, kort gezegd, een belastingprobleempje. Carmelo ontloopt krijgsgevangenschap door zich bij de Andalusiërs te laten inlijven, Eloy vlucht en wordt bij terugkomst in Castillië in de adelstand verheven.

Zo worden de personages partij in de geschiedenis, en zo moet Bulnes’ literaire ambitie ook gezien worden. Hij zoekt uit hoe de geschiedenis van de Reconquista – de ‘herovering’ van het Iberisch schiereiland door de christenen op de Moren – verlopen is, en toont dat in de proporties van zijn personages, die op cruciale plekken aan de hoven en in de legers verkeren. De historie heeft de hoofdrol – en het voelt gek om een historische roman te verwijten dat hij te historisch is, maar dat is dus een beetje zo. Het draait om macht, wapengekletter en gedoe aan de hoven. Dat beïnvloedt ook de stijl, want zoals Bulnes een van zijn personages al vroeg laat opmerken: ‘Niets is belangrijker dan macht, en poëzie brengt geen macht.’

De kluwen van historische informatie trof in Bulnes gelukkig een toegewijde verteller: wijs worden uit de wirwar van gebeurtenissen en dwarsverbanden tussen machthebbers op het versnipperde schiereiland, dát kan Bulnes, die eerder opzien baarde met Het bloed in onze aderen (2011), over vroeg-20ste-eeuws Spanje. Maar daar, meer dan in Reconquista, lag de nadruk op de personages. Nu zijn de figuren lange tijd karikaturaal, waardoor de roman associaties oproept met de ouderwetse cinema: epische historische drama’s of sandalenfilms met hysterische emoties en een uitbundige traagheid. Of zoiets werkt, staat of valt met de schrijfstijl – maar daar kleven dezelfde bezwaren aan. Bulnes brengt liever informatie over dan menselijk gevoel, hij bouwt beter grote lijnen dan secure zinnen. Toegegeven: de aanhoudende bingelezer wint, want de personages krijgen gaandeweg steeds meer diepte en je verwachtingen van een enerverend en ingewikkeld complot worden ingelost. Aan het einde heb je een cruciaal moment in de Reconquista tot in de kleinste details meebeleefd – al valt het onmogelijk na te vertellen.

In De ommegang vind je geen lelijke zinnen. En in alle opzichten waarin de romanschrijver zich van de historicus onderscheidt, valt de vergelijking in het voordeel van Van Aken uit. Het verhaal in De ommegang hangt nauw samen met de tijd waarin het zich afspeelt, maar minder nadrukkelijk, niet als doel. Niet dat de historische omgeving slechts een decor is – van verhalen die ‘toevallig’ in een andere tijd dan die van de schrijver spelen, krijg je belabberde historische romans. De geschiedenis moet in een roman wel iets betekenen. En dat doet het: Isidoor is met zijn onstuitbare weetgierigheid een projectiescherm voor de wederwaardigheden van de middeleeuwen, van christelijke concilies tot semi-ketterse wetenschap. Met zijn reizende bestaan is hij bovendien een boeiende speelbal van het lot, dat in de middeleeuwen keihard was. Isidoors levenswens toont ook hoe weinig een middeleeuwer in eigen hand had: hij droomt ervan architect te worden, maar weet dat hij machthebbers nodig heeft om dat ideaal te verwezenlijken. Dan kom je al gauw bij de kerk uit.

Lijfspreuk

Kennis is macht, is ondertussen Isidoors lijfspreuk, en daarmee komt hij heel ver. Schrander, gewiekst, een selfmade opportunist: Isidoor is het allemaal, en De ommegang is daarom een avontuurlijk boek. We volgen hem op twee sporen: tijdens zijn wereldwijde omzwervingen tussen grofweg 1388 en 1404, en erna. In die laatste lijn ontmoet Isidoor een vriend van vroeger en loopt hij met hem en zijn dochter naar het Concilie van Konstanz in 1415, waar beslist wordt over de toekomst van de door geldzucht verworden en door ketterij bedreigde kerk.

Het moment waarop Konstanz in zicht komt en het verhaal over de omzwervingen verteld is, is een hoogtepunt: dan, verzonken in de paradox van Zeno over de schildpad die Achilles altijd voor blijft, komt het eerste scheurtje in Isidoors kennistempel. De wereld is nooit in zijn geheel te bevatten aan de hand van de ratio, daar is ze te chaotisch, onvoorspelbaar en paradoxaal voor. Gevoelens bijvoorbeeld – voor de enige liefde die hij kende, de inmiddels overleden vrouw van zijn reisgezel, de moeder van diens dochter. Waar is ruimte voor gevoelens?

Na die scheur, dramatische gebeurtenis en inzicht ineen, zakt de roman wat in – de conciliaire wederwaardigheden leveren minder spannende scènes op dan de bacchanalen met bloedende zwijnen of de sodomie-beschuldiging in een Parijs bordeel. Maar het vormt de onmisbare aanzet voor de meeslepende culminatie van de roman, die uiteindelijk fier als een kathedraal overeind staat. Want De ommegang is een lange reis, door Europa en daarbuiten. En een rijk versierde kathedraal, waar je de sporen van het leven en de tijd aan af ziet. En een lange vriendschap, met Isidoor. Maar ook een confrontatie met de vraag die het lezen van zo’n omvangrijke historische roman uiteindelijk oplevert: heb je aan het einde van het pad door dit geheugenpaleis, bingelezend, levend in het boek en in je hoofd, nou wel of niet ook zelf gelééfd? Je bent als lezer toch geneigd om ja te zeggen.