Nederlands team sprint naar eerste wereldtitel in de historie

WK baanwielrennen Dag één van het WK in Apeldoorn bood spektakel op de teamsprint. Bij dit complexe onderdeel was er goud voor Nederland.

De teamsprint is de traditionele opening van het sprinttoernooi. Drie mannen rijden ieder een ronde van 250 meter op kop. Het komt aan op timing, brute kracht en uithouding.

Start

Er begint een klok terug te lopen, van dertig naar nul. In het Omnisport van Apeldoorn klinkt dat als drumstokjes die tegen de zijkant van een snaredrum tikken. Zenuwslopend. De drie renners checken een laatste keer of hun schoenen goed vastzitten in de pedalen. Ze blazen hun wangen bol. Vijf tellen voor de start verandert het geroffel in gepiep.

Nederlandse baankanonnen te over tegenwoordig. Er zijn al drie man aan te wijzen die hard kunnen starten. De Amerikaanse bondscoach Bill Huck, die het stokje na de Spelen van Rio overnam van de Duitser René Wolff, kon kiezen uit Jeffrey Hoogland, Niels van ’t Hoenderdaal en Roy van den Berg.

Die laatste kreeg maandag slecht nieuws. Hij is de mindere toernooifietser, zei assistent-trainer Hugo Haak. Starter van dienst dit WK is Van ’t Hoenderdaal.

Op twee beweegt hij zijn bovenlichaam over zijn stuur, op één tot achter het zadel. Een hoge toon is het startschot. Dan is alles gericht op de beweging naar voren.

Timing is van groot belang. Routine ook. Van ’t Hoenderdaal heeft het duizenden keren geoefend. Zijn achterwiel zit geklemd in een pneumatisch aangedreven machine die in verbinding staat met de tikkende klok. Zet hij te vroeg of te laat aan, dan start hij vals.

Wat volgt is een explosie van kracht. Het lichaam van de starter is van het drietal het meest geblokt. Hij moet een maximale inspanning van zeventien seconden leveren. Zijn benen moeten uit stilstand een onnoemlijk zwaar verzet rond zien te krijgen, en dat kan niet zonder een krachtig bovenlijf en dito armen, waarmee hij aan het stuur trekt alsof hij het in tweeën wil breken.

Het bewegingstempo is eerst laag, maar de snelheid loopt snel op naar 50 kilometer per uur. Na de eerste bocht gaat hij op zoek naar souplesse, de omwentelingssnelheid gaat naar de 120 per minuut. G-krachten persen het drietal door de kuipbocht. Daarna gaat het in een rechte lijn naar de streep.

Op woensdagavond start Van ’t Hoenderdaal op wereldniveau: 17,1, 17,2 en 17,0, een nieuw Nederlands record. Zijn commentaar: „Bizar!” Hier pakt Nederland de meeste winst op de concurrentie.

Vlak voor de witte finishlijn laat de tweede renner in de pikorde een gaatje vallen. Op het moment dat de man op kop aanstalten maakt om over een rode lijn naar buiten te sturen en zo plaats te maken voor zijn teammaten, rijdt de man achter hem het gat dicht. Dit is zijn moment.

Tussenronde

Renner twee is de snelste sprinter van het stel, in het individuele sprinttoernooi zal hij naar verwachting het beste presteren. Bij Nederland is dat deze avond drie keer Harrie Lavreysen, bezig aan zijn derde seizoen. Hij begon als BMX’er. Lavreysen rijdt een ‘vliegende 200 meter’ – hij is al op snelheid – in 9,6 seconden. Drievoudig wereldkampioen sprint Theo Bos kwam in zijn gloriedagen tot 9,772.

Op het moment dat Lavreysen op kop komt, zet hij nog eens vol aan. In de bocht die volgt, bereikt de trein onder zijn aanvoering de topsnelheid: zo’n 77 kilometer per uur. Zijn richttijd voor een rondje van 250 meter is 12,5 seconde. Zijn resultaten woensdag: 12,5, 12,7, 12,5. Niemand doet het hem na. Hij stuurt over de rode lijn. Dan is het aan de derde renner om het af te maken.

Finish

Bij de Nederlandse sprinttrein komen twee mannen in aanmerking voor het slotakkoord: Matthijs Büchli en Jeffrey Hoogland, in 2015 drievoudig Europees kampioen. Het zijn renners die kunnen sprinten, maar een topsnelheid ook lang vol kunnen houden.

Vooral aan Büchli is dat goed te zien: hij is atletisch gebouwd, is minder geblokt dan de mannen die voor hem rijden. Hij won op de Spelen van Rio zilver op de keirin, een race over zes rondjes. Op dat onderdeel is hij op dit WK de favoriet.

Het mechanisme van de tweede aflossing werkt hetzelfde als de eerste: de renner op kop stuurt bijtijds over een rode lijn en dan moet de sprinter met de lange adem nog een seconde of dertien alles geven, alleen en strijdend tegen de verzuring. Van het drietal krijgt hun lichaam het meest te verduren.

Hoogland rijdt een snoeiharde laatste ronde in de kwalificaties en wordt in de halve finale vervangen door Matthijs Büchli, die langzamer is en strompelend van zijn fiets komt. In de finale mag Hoogland het karwei afmaken tegen Groot-Brittannië. Daarin wordt hij perfect op gang getrokken door Van ’t Hoenderdaal. Lavreysen houdt de snelheid in de ploeg en Hoogland ramt de Nederlanders naar de eerste wereldtitel teamsprint in de geschiedenis.