‘Dit gaat om beknotting van de vrijheid van meningsuiting’

David Goldblatt

Na de recente studentenrevolte in Zuid-Afrika verhuist fotograaf David Goldblatt (87) zijn archief naar de VS. Zelf blijft hij, zoals hij ook tijdens de apartheid bleef. „Deze betrokkenheid zou ik nooit ergens anders kunnen hebben.”

De ‘onttroning’ van Cecil Rhodes, 2015. Nadat studenten het beeld besmeurd hadden met uitwerpselen stemde de Universiteit van Kaapstad in met de verwijdering. Foto David Goldblatt & Goodman Gallery Johannesburg en Cape Town

Voor hem ligt een foto van een hoopje gruis op gebutst asfalt. Bovenin is het cijfer 6 te zien en een stukje van wat een bumper lijkt. Spectaculair is de compositie niet. „Dit is de plek waar studenten zo’n twintig schilderijen en een paar foto’s verbrand hebben”, zegt David Goldblatt afgemeten. Zijn stem verandert nauwelijks in toonhoogte, alsof het hem onbewogen laat. Wat niet zo is.

In de catalogus van zijn vorige week geopende grote retrospectief in het Centre Pompidou in Parijs bladert de 87-jarige Zuid-Afrikaanse fotograaf naar foto’s van lege haakjes en resten van schilderijlijsten en van een in doeken gewikkelde sculptuur van khoikhoi-vrouw Saartjie Baartman in een bibliotheek. Alles zwart-wit. „Ik noem dit mijn forensische werk”, zegt hij na een korte stilte. „Het was een precies verslag van wat daar gedaan is.”

Daar, dat is op de Universiteit van Kaapstad. Toen in 2015 protesten uitbraken rond het standbeeld van een van de grondleggers van de universiteit, de negentiende-eeuwse imperialist Cecil Rhodes, wilde Goldblatt erheen. „Ik fotografeer heel zelden evenementen, maar dit was belangrijk”, zegt hij. Zijn leven lang heeft hij tot in het fijnste detail de sociologie en uiterlijke verschijningsvormen van de Zuid-Afrikaanse rassenscheiding gedocumenteerd. In Kaapstad zag Goldblatt hoe Rhodes van zijn sokkel ging.

David Goldblatt: “Wat de studenten deden was onvergeeflijk. Ze wilden heersen met hun vuisten.” Foto Vincent mentzel

Een jaar later keerde hij terug om vast te leggen hoe de protesten tegen de ‘witheid’ van de universiteit waren geëscaleerd. Studenten hadden brandjes gesticht en kunstwerken vernield. De universiteit zelf had een commissie benoemd die zou bepalen welke kunst voor studenten potentieel aanstootgevend zou kunnen zijn. Zo’n zeventig werken – witte kunstenaars die zwarten hadden geportretteerd, mannen die vrouwen hadden afgebeeld – waren verwijderd of, zoals Saartjie Baartman, ingepakt.

„Ik ben nog steeds geschokt”, zegt Goldblatt in een zaaltje naast Centre Pompidou. „We hebben een uitstekende grondwet, we hebben wetten die ons behoorlijk wat vrijheid geven. Wat de studenten deden was onvergeeflijk. Ze wilden heersen met hun vuisten, met hun lucifers. Maar in een democratie praat je. Het werd nog erger toen de universiteit onderschreef wat de studenten hadden gedaan door de eigen kunstcollectie te censureren. Dat was voor mij de ultieme terreur.”

Er zat geen werk van Goldblatt bij. Maar hij tekende wel protest aan. Hij beëindigde het contract dat hij enige jaren eerder met de universiteit had gesloten om zijn archief daar na te laten. Hij is nu in onderhandeling met Yale.

„Het was een eenmansprotest”, lacht hij besmuikt. „Maar ik sta niemand toe mijn werk te compromitteren. Ik heb altijd weten te voorkomen dat mijn werk voor propaganda of voor doeleinden van anderen werd gebruikt. Had ik mijn werk in Kaapstad gelaten, dan had ik passief bekrachtigd wat de universiteit aan het doen was. Dat kon ik niet.”

Winkelbediende in Orlando West, Soweto, 1972.
Foto David Goldblatt & Goodman Gallery Johannesburg en Cape Town
Winkelbediende in Orlando West, Soweto, 1972.
Foto David Goldblatt & Goodman Gallery Johannesburg en Cape Town

Hoe heeft de universiteit gereageerd?

„Door te liegen. Ze zeiden dat ik mijn werk weghaalde omdat ik het wilde beschermen tegen geweld. Dat was niet zo. Dit gaat om beknotting van de vrijheid van meningsuiting en de universiteit was medeplichtig. Ik heb een witte vriend in New York die zijn jonge zwarte vrouw tijdens haar zwangerschap gefotografeerd heeft. In Kaapstad had hij die foto’s niet kunnen tonen. Dat is vreselijk. Zodra je mensen toestaat regels te dicteren voor hoe je je moet uiten, dan is de volgende stap dat ze je vragen het werk in je archief van moslims, Joden of mensen met groene ogen weg te halen of te verbranden.”

Uw werk is intrinsiek Zuid-Afrikaans. Wat heeft dat in de VS te zoeken?

„Ja, dat is moeilijk. Maar het is onvermijdelijk, ik kon niet anders. Met Yale heb ik afgesproken dat ze ook een digitaal archief in Zuid-Afrika aanhouden.”

Na de apartheid fotografeerde u veel in kleur. Nu weer zwart-wit. Is dat bewust?

„Ik ben heel boos over sommige zaken, net zoals in de apartheidsjaren. Ik wil de dingen niet verzachten door kleur te gebruiken. Zo’n tien, twaalf jaar heb ik vooral in kleur gewerkt. Nu weer in zwart-wit.” Vergoelijkend: „Maar dat kan ook zo weer veranderen hoor.”

In Zuid-Afrika lijkt met de nieuwe president verandering op komst.

„Dat geeft ons enige hoop ja. Natuurlijk wordt het beter als je de grootste boeven wegstuurt, maar we zitten nog steeds met enorme problemen. Miljoenen jonge zwarte mensen zijn niet alleen werkloos maar ook niet aan werk te helpen omdat ons onderwijs zo slecht is.”

Het is voor het eerst dat fotostad Parijs Goldblatt zo’n grote overzichtstentoonstelling gunt. Er zijn foto’s te zien die hij maakte als tiener in de jaren veertig, er zijn beroemd geworden beelden (met oorspronkelijk teksten van Nadine Gordimer) die hij maakte van de mijnen rond Johannesburg, werk uit Soweto en dat van Afrikaners op het platteland of in de witte middenklassestad Boksburg. Bij alle series heeft Centre Pompidou instructieve filmpjes gemaakt waarop Goldblatt, op die ogenschijnlijk onbewogen toon, de context verstrekt die de foto de politieke diepte geeft die veel kijkers anders zou ontgaan.

Goldblatt groeide op in het mijnstadje Randfontein, ten westen van Johannesburg, als zoon van een Joodse winkelier. Hij begon een camera te gebruiken om zijn omgeving te fotograferen, vertelt hij. „Klasgenootjes, leraren. Maar ook mijn postzegelverzameling.” In bladen als Look, Life en Picture Post zag hij het werk van grootheden als Cartier-Bresson of Bill Brandt. „Dat wilde ik ook.” Toen hij na het overlijden van zijn vader in 1963 de familiezaak verkocht, kon hij fulltime als fotograaf aan de slag.

Tijdens de apartheid heeft hij „in principe” alles kunnen fotograferen wat hij wilde. „Maar had ik een vergunning nodig, dan vroeg ik die aan.” Zoals in Soweto. Daar werkte hij officieel voor het blad van mijngigant Anglo-American. Maar hij aarzelde. „Ik wist niet goed wat ik moest. Als ik uit de auto stapte, dan werd ik door kinderen omcirkeld. Ik moest een manier vinden om daar te kunnen werken.” Hij zette zijn camera op een statief op een publieke plek en wachtte. Zo zou hij later ook in Boksburg werken. „Mijn ervaring is dat mensen eerst nieuwsgierig en argwanend zijn, maar later verveeld raken. Dan begint voor mij het werk.”

Jonge mannen met de voor Afrikanen verplichte ‘dompas’. White City, Soweto, 1972.
Foto David Goldblatt & Goodman Gallery Johannesburg en Cape Town
Jonge mannen met de voor Afrikanen verplichte ‘dompas’. White City, Soweto, 1972.
Foto David Goldblatt & Goodman Gallery Johannesburg en Cape Town

Hoe kenners dat werk uiteindelijk beoordelen, interesseert hem minder. „Ik hecht geen waarde aan de vraag of mijn werk kunst is of niet”, zei hij tot verwondering van Franse journalisten bij de perspresentatie van de expositie. Zij kwamen met vragen over genres, concepten en mogelijke verwantschap met Pierre Bourdieu. Spraakverwarring alom. Goldblatt, volgens specialisten een ‘documentair fotograaf’ bij uitstek, weigerde zich in een hokje te laten duwen en gaf ontwijkende antwoorden.

„Ik hou niet van die termen”, zegt hij. „Er kan hier in Parijs op een straathoek een camera hangen die iets filmt wat morgen een sensatie is en over vijf jaar als kunst gezien wordt. Maar of foto’s nu door een automatische camera op straat of door Richard Avedon in zijn studio in New York gemaakt zijn: het zijn zonder uitzondering documenten die een aspect van de werkelijkheid voorstellen. Dat is waar fotografie om draait en dat is wat ik doe. Ik kan niet pretenderen dat ik conceptuele kunst volledig begrijp, maar zelf ben ik nooit veranderd. ” Ondanks zijn gevorderde leeftijd gaat hij er nog regelmatig met zijn campertje op uit om het Zuid-Afrikaanse landschap, in al zijn uitbundige of perverse verschijningsvormen, vast te leggen.

U heeft wel eens gezegd dat uw camera geen wapen is. Hoe zag u uw rol?

Fel: „Ik heb nooit enige rol gehad. Ik was professioneel fotograaf voor bladen en ik maakte persoonlijk werk omdat ik voelde dat ik dat moest doen. Het was een dialoog met mezelf en mijn landgenoten.”

Is uw manier van opereren sinds het eind van de apartheid veranderd?

„Ik heb nu soms een bewaker met een wapen bij me als ik werk.”

Heeft dat uw fotografie beïnvloed?

„Waarschijnlijk wel. Ik dacht altijd: als ik mensen laat zien dat ik hen vertrouw, dan vertrouwen ze mij ook. Maar ik kan dat niet meer van ze vragen als ik met een bewaker kom. Ik denk een tweede keer na voor ik iets doe nu. Het komt natuurlijk door de hoge criminaliteit. Maar misschien ook door de veranderde verhoudingen. Vroeger had ik als witte voorrechten die ik nu niet meer heb.”

Wilde u nooit elders fotograferen?

„Nee, nooit. Ik heb projecten gedaan in Australië en in Engeland. Maar ik voel me in andere landen een binnendringer. Ik weet er niets vanaf, ben er niet geboren en er niet opgevoed met de ideeën. Ik ben er een buitenlander. In de eerste jaren onder de (apartheidspartij) Nasionale Party hebben mijn vrouw en ik serieus overwogen om met onze drie kleine kinderen te emigreren, maar ik heb haar overgehaald te blijven. Ik realiseerde me hoe diep ik betrokken was bij Zuid-Afrika en dat ik die betrokkenheid nooit ergens anders zou kunnen hebben.”