Helpen met ontduiken mag niet

De rubriek Economie & Recht belicht elke woensdag kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Deze week fiscaal recht.

Foto ANP

Niet alleen de belastingontduikers, ook de facilitators zijn aansprakelijk voor de schade. Tot die opvallende uitkomst kwam de rechtbank Amsterdam onlangs in een civiele procedure van de Belastingdienst tegen het voormalige trustkantoor Tradman. Het kantoor, inmiddels onderdeel van trustgroep TMF, had volgens de dienst twee vastgoedondernemers geholpen hun vermogen te verbergen in dubieuze belastingconstructies. De ondernemers, broers Jos en Joop G., waren hiervoor al veroordeeld tot 21 en 16 maanden cel. Omdat het trustkantoor en zijn bestuurders een sleutelrol hadden gespeeld bij de belastingontduiking, vond de Belastingdienst dat Tradman onrechtmatig had gehandeld jegens de fiscus en dus aansprakelijk was voor de schade.

Tradman en de broers zouden misbruik hebben gemaakt van kasgeldvennootschappen (met geld maar zonder bedrijfsactiviteiten), door deze op te kopen en dan leeg te halen. Ook werd er met medewerking van Tradman gedaan alsof de vennootschappen verlies maakten, zodat er geen vennootschapsbelasting hoefde te worden betaald.

De rechtbank overweegt dat de handel in kasgeldvennootschappen op zichzelf niet onrechtmatig is, maar dat dit wel gevoelig is voor misbruik. Daarbij heeft een trustkantoor, gelet op de maatschappelijke positie in het financiële verkeer en professionele deskundigheid, tegenover de Belastingdienst tot op zekere hoogte een zorgplicht. Tradman had moeten onderzoeken of de gevraagde adviezen en diensten zouden kunnen worden gebruikt om belasting te ontduiken, aldus de rechter. Het trustkantoor had in ieder geval bij de broers moeten informeren naar hun plannen en beweegredenen en bij elk vermoeden van belastingontduiking zijn diensten moeten weigeren.

Nu dit niet is gebeurd en Tradman zelfs een actieve rol heeft gespeeld in de constructies, zijn het kantoor en de betrokken medewerkers aansprakelijk voor de schade.

Uitspraak: ECLI:NL:RBAMS:2018:796