Fucking kampioenen!

Ewoud Sanders

Zelfs als u de Nederlandse schaatsers niet op de voet heeft gevolgd, kan het u nauwelijks zijn ontgaan dat zij bij een zege een duidelijke voorkeur hebben voor een bepaald Engels leenwoord, namelijk fucking.

Toen de ploeg van Suzanne Schulting onverwachts brons behaalde, zei Schulting: „We doen het in een fucking wereldrecord, we worden fucking derde, hoe fucking cool is dat? Zo ik heb even te veel fucking gezegd, maar het maakt me geen zak uit.” En nadat Kjeld Nuis zijn tweede gouden medaille had behaald, zei hij onder meer: „Zo fucking spannend. Dit is zo fucking knap.”

Zet profvoetballers voor een microfoon en je krijgt vlakke, afgemeten teksten. Zeker bij verlies, meestal ook bij winst. Naar de oorzaken hoef je niet lang te zoeken: profvoetballers worden sinds jong gekneed en hebben veel mediatraining achter de rug. Ze hebben bovendien geleerd dat een sneer naar een trainer, collega of tegenstander grote gevolgen kan hebben. In de voetbalsport gaat zoveel geld om dat alles er op een goudschaaltje wordt gewogen – ook woorden.

Nee, dan de Nederlandse schaatsers, die soms pas veel later aan hun sportloopbaan zijn begonnen. Bij hen hoor je nog hoe veel Nederlanders onder de dertig met elkaar praten. Zij zeggen recht voor z’n raap dat de druk giga is. Dat de trainers giga meeleven. Trainers van wie ze megaveel hebben geleerd. Zij hebben zelf megahard geknokt. Een prestatie neergezet die megaknap is. Megavet. Supervet. Te gek. Zo kicken!

Ik zuig dit niet uit mijn duim – dit is vrijwel letterlijk zo gezegd door een stralende Kjeld Nuis na zijn overwinning op de duizend meter.

Zelf vind ik het ontwapenend, dit taalgebruik. En in vergelijking met profvoetballers een verademing, want die klinken mij teveel als derderangs politici.

Toch denk ik dat een beetje meer mediatraining voor schaatsers geen kwaad kan. Vooral om de frequentie van al dat gefuck enigszins omlaag te schroeven, want anders dan cool-giga-mega-supervet-kicken wordt fucking door de meeste mensen als een scheldwoord ervaren. We vloeken en schelden allemaal weleens, maar niet voor een miljoenenpubliek en de meesten van ons hebben geen voorbeeldfunctie.

Ik denk trouwens dat schaatsers hier ook zichzelf een plezier mee zouden doen. Al te veel gefuck en ander grof taalgebruik zou sponsors kunnen afschrikken. Spontaniteit is mooi en ontwapenend, maar het is bijvoorbeeld geen toeval dat het NOS Journaal kiest voor gespreksfragmenten zonder tritsen fuckings. Het Journaal zond wel een fragment uit waarin Nuis zei „F... het zit er gewoon in”, maar als je de rest van het gesprek niet kende, kon je makkelijk ontgaan dat Nuis hier het f-woord grotendeels inslikte.

Overigens krijgen schaatsers zonder twijfel al enige mediatraining. Suzanne Schulting uitte zich bij haar solo-overwinning veel gepolijster dan daarvoor („Dit is echt niet normaal, ik geloof het bijna niet, ik heb hier geen woorden voor”).

Het blijft een lastige balans: spontaniteit, en je taalgebruik enigszins in bedwang houden kort na een adrenalinestoot en topprestatie. In een enquête op Twitter vroeg ik hoe anderen al dat schaatsgefuck hadden ervaren. Ruim 1.250 mensen reageerden. De uitslag: „niks mis mee” 55 procent, en „beetje minder mag wel” 45 procent.

Ik behoor dus tot die laatste groep.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders