Column

De ergste vuilakken

Na gedane zaken stond ik in de grote toiletruimte van een restaurant mijn handen te wassen. Er bevond zich nog één man enkele meters van mij vandaan bij een urinoir in de hoek. Ik wilde mijn handen afdrogen en zocht naar een manier om een papieren handdoekje te ontfutselen aan een houder tegen de muur. Ik tastte naar een hendeltje voor, onder én boven het apparaat. Tevergeefs. Hoe kwam het toch dat ik bij zulke apparaten altijd op de verkeerde plaats zocht? Daar zou ook eens een onderzoek naar moeten worden ingesteld, eventueel een DNA-onderzoek, want misschien kon ik dan als excuus aanvoeren dat het iets erfelijks was.

De man in de hoek zag me worstelen. Hij ritste zijn gulp dicht en schoot me te hulp, toen ik op het punt stond mijn hand ín het apparaat te duwen.

„Niet doen”, zei hij beslist, „ik weet hoe het moet.”

Hij wees op een minuscule knop aan de zijkant en draaide eraan. Meteen piepte er uit de houder een stukje groen papier, dat er alleen nog maar verder uitgetrokken hoefde te worden. Een kind kon nu de gewassen handen doen, dus ook ik.

„Bij elk apparaat is het weer anders”, troostte de man, „maar gelukkig kom ik hier vaker.”

Hij begon op zijn beurt zijn handen te wassen. Ik vond het sympathiek dat hij me een alibi verschafte voor mijn onhandigheid en wilde dankbaar afscheid van hem nemen, toen hij zei: „Eigenlijk is het allemaal onzin wat wij hier staan te doen.”

„Hoezo?” vroeg ik.

„Je denkt toch niet dat onze handen er hier werkelijk schoner op worden?”

„Dat mag ik toch wel hopen.”

„Welnee”, zei hij. „Ze worden er alleen maar viezer van. Ga maar na. Je pist of poept, of beide, dan moet je met je handen zeep uit zo’n ding zien te persen en vervolgens de kraan openen en sluiten. Tegen die tijd zwermen er al duizenden bacteriën om je heen die allemaal denken: kaasje. Dan moet je nog zo’n handdoekje pakken door eerst aan een knopje te draaien. Om weg te komen ben je ook nog gedwongen de deurknop aan te raken.”

Ik begreep dat ik straks bij mijn vertrek een soort volksverhuizing onder de aanwezige bacteriën op mijn geweten zou hebben. „Hoe wil je dat voorkomen?” vroeg ik bezorgd. „Zou zo’n blower misschien beter zijn?”

Hij keek me aan alsof ik de goorste smeerlap was die hij in jaren was tegengekomen. „Een blower?!” riep hij uit. „Die maakt het alleen maar nóg veel viezer.”

Nu was ik nooit dol op blowers geweest, maar dat kwam vooral door het dierlijke geloei dat ze produceerden. Verder leken het me wel nuttige apparaten.

Hij kwam vlak voor me staan en zei dwingend: „Die blowers zijn de ergste vuilakken. Ze besmetten de hele ruimte waarin ze staan. Als je je handen in een blower hebt gehouden, bevatten ze 230 procent méér bacteriën dan ervoor.” Hij lachte kort. „Eigenlijk kun je je handen beter helemaal niet wassen. Dat weten we ook wel, maar we doen het vooral om te voorkomen dat anderen zouden kunnen denken: gadverdamme, die smeerlap loopt met ongewassen handen weg.”

Ik wilde nu ook graag weg, naar de kroketten die misschien al op mij lagen te wachten. De vraag was alleen: wie zou er eerder zijn, ik of die bacteriën?