Artistieke vrijheid onder gezag

De rubriek Economie & Recht belicht elke woensdag kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Deze week fiscaal recht.

Foto Getty Images/iStockphoto

Haar artistieke vrijheid stond niet ter discussie. De actrice werkte bij een aantal toneelgezelschappen en kon zelf invulling geven aan de rollen die ze speelde. Ze beschouwde zichzelf dus als zzp’er en haar inkomsten als winst uit onderneming. Met alle bijbehorende aftrekposten. Maar de Belastingdienst merkte haar inkomsten aan als loon uit dienstbetrekking. Er was daarvoor voldaan aan drie belangrijke voorwaarden: loon, arbeid en gezag. Artistieke vrijheid wilde nog niet zeggen dat de gezagsverhouding ontbrak.

De actrice bleef erbij: ze was zelf verantwoordelijk voor de invulling van haar rollen, de planning en het eindproduct. De verhouding tot regisseur en directie was gelijkwaardig, niet ondergeschikt. Het gerechtshof Amsterdam heeft, net als de rechtbank Noord-Holland, moeite met het ondernemerschap. De actrice werkte voorgaande jaren wel op basis van een arbeidscontract, waarop ook de cao Nederlands Theater van toepassing was verklaard. Hierin wordt expliciet gesproken over een hiërarchie: de regisseur is eindverantwoordelijke, de acteur volgt aanwijzingen op.

Bovendien had ze in het verleden een ww-uitkering aangevraagd bij het UWV en daarvoor opgegeven dat ze (bij hetzelfde toneelgezelschap) in loondienst was geweest. Het Hof komt tot de conclusie dat de actrice zich steeds moest voegen in het door de gezelschappen gecreëerde ‘organisatorisch kader’. Alle artistieke vrijheid ten spijt, kwalificeert dit niet als zelfstandig ondernemen.

Uitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2018:285