Opinie

    • Maxim Februari

Overal vergankelijkheid, maar de vrolijkheid lonkte

Deze twee dingen gebeurden ongeveer gelijktijdig. „Schrijf eens iets leuks”, mailde een onbekende me zonder veel aanleiding. „Iets gezelligs. Iets in de stijl van Oscar Wilde of zoiets.” En een dominee haalde Prediker aan. „Er is een tijd om te ontvlammen, en een tijd om te verkillen.” Twee boodschappen die, als u me deze literaire overdrijving wilt toestaan in onze pietluttige tijden, precies hetzelfde betekenen. Laat de remmen maar los. Geniet van het leven.

En daar stond ik dus. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik op een begraafplaats stond. Ik was van plan na afloop, weer thuis, een theorie te verzinnen op het ethische vlak. Eigenlijk alleen omdat ik heel moe was, en geen betere manier om vermoeidheid te bestrijden dan door jezelf voor te houden dat je een taak in het leven hebt. Oscar Wilde zou dat uiteraard sprankelender zeggen, maar het kwam nu op mij aan, en zover was ik gekomen. Bekaf. Plichtsgetrouw. Zwaar gebukt onder de misvatting een gewetensvol mens te zijn. Klinkt bekend?

Winter ijskoud. Hemel strakblauw. De hele familie op de begraafplaats. Ik stond te verkillen. Maar de dominee gooide Prediker er tegenaan. Er is een tijd om te wenen, en een tijd om te lachen, zegt Prediker. „Een tijd om te kermen, en een tijd om op te springen.” Voor zover ik de dominee bij kon benen, snapte ik dat het zaak was je op dat opspringen en ontvlammen te concentreren. Ze had duidelijk een vrolijke visie op het hiernamaals. Kwestie van genade. Nou, daar gaat-ie, zei ik tegen mezelf, en ik probeerde het ontvlammen zo’n beetje uit.

Het ging allemaal, dat begreep ik ook wel, over vergankelijkheid. Prediker heeft het over tijd en regelmaat, over plannen en managen, want dat is wat een volwassen mens doet. En dan heeft hij het over balans en over het belang van de vreugde, want je leeft maar één keer – althans, dat maak ik ervan – en je weet nooit waar je zult sterven, om met Genesis 27 te spreken, en je kunt dus maar het beste „eten, drinken en vrolijk zijn”, zoals ik laatst op een keukensticker zag staan.

De zon blikkerde. De vorst beet in alles wat hij te pakken kon krijgen en het moment stond in grote helderheid voor ons. Uit aardigheid, en om me eraan te herinneren dat de tijd voortschrijdt, had een vriendin me zojuist de Kees Fens-lezing van kunsthistoricus Mariette Haveman toegestuurd, ‘Het belang van de bijzaak’, en ook die ging over vergankelijkheid. Over verhuisdozen met foto’s en kindertekeningen. En het besef „dat er een moment komt waarop iemand zo’n doos de deur uit doet omdat niemand meer weet wie dat in vredesnaam waren, die mensen op die foto’s”.

Haveman schreef over „vereeuwigen”. Dat kunst weliswaar ook vaak teloor is gegaan, als een oude verhuisdoos of een uit de mode geraakt interieur, maar dat soms iets bewaard is gebleven in de paleizen van vijftiende-eeuwse families met prettige levens: feestelijke voorstellingen waarop ze zich lieten vereeuwigen. Borso d’Este, die in het Palazzo Schifanoia te Ferrara toonde dat hij zijn zorgeloze plezier zag als een persoonlijk talent. Rijk versierde feestzalen. Prinsen die lol maken. „Dat is de wereld die je hier toelacht, te midden van een enorme hoeveelheid verval.”

De aarde om ons heen was hard bevroren. Op het hek naast de begraafplaats zat een roofvogel te wachten op verkleumde muizen. Ontvlam, zei Prediker. Lach. Spring op. Dans. Omhels. Als een oudtestamentische Ramses Shaffy. Voorzichtig stampte ik met mijn voeten op de grond in de hoop vlam te vatten. Waar Prediker zei dat er een tijd is om stenen weg te werpen en een tijd om stenen te verzamelen, constateerde een christelijke theologe in het Nederlands Dagblad dat dat „ook een beeldspraak voor het seksuele leven” zou kunnen zijn. En vooruit. Ja. Waarom niet?

Een verkleumde muis. Een hongerige roofvogel. Als een afgepeigerde moralist zag ik mezelf op de begraafplaats staan. Overal verval en vergankelijkheid. Oscar Wilde in geen velden of wegen te bekennen. Maar de lokroep van de vrolijkheid was niettemin goed hoorbaar. Onder de zon, zei Prediker, in onze kleine uithoek van het universum, is het leven volslagen onbegrijpelijk, dus valt er niets beters te verzinnen dan vrolijk te zijn en van je leven te genieten.

De klepel van de klok verpulverde boven ons hoofd door de vorst, het gebeier viel in splinters naar beneden. Maar ik warmde op, ik sprong op, ik werd zowaar blijmoedig, een lichtzinnig sentiment dat door de strenge Zeitgeist met argwaan werd bekeken, maar dat nog net op tijd kwam om het, godzijdank, in plaats van een ethische theorie aan u door te geven.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.
    • Maxim Februari