Opinie

Ook een verdachte heeft rechten, minister

Een verdachte dwingen zijn zaak bij te wonen, druist in tegen internationaal recht, schrijft Gerard Spong.

In het Nederlandse strafrecht bestaat geen algemene plicht voor de verdachte om bij de behandeling van zijn strafzaak op zitting aanwezig te zijn. Alleen voor jeugdige verdachten geldt een verschijningsplicht. De wetgever vond het nodig dat de jeugdige uit pedagogische overwegingen persoonlijk geconfronteerd zou worden door de straffende overheid.

Alleen wanneer de rechter het wenselijk acht dat de verdachte bij de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting aanwezig is, kan hij zijn persoonlijke verschijning bevelen, door een zogeheten ‘bevel medebrenging’ te geven. De verdachte wordt dan, of hij wil of niet, opgehaald uit zijn huis of gevangeniscel.

In de praktijk wordt spaarzaam omgegaan met deze mogelijkheid. Slechts als de waarheidsvinding tijdens de zitting ermee gediend is, bijvoorbeeld door een confrontatie van de verdachte met getuigen, wil nog wel eens zo’n bevel gegeven worden. Een kwalitatief beter strafproces is een nobel doel. Daarmee wordt het risico op een gerechtelijke dwaling (onjuist vonnis ) verminderd.

Maar minister Sander Dekker (met de gloednieuwe portefeuille Rechtsbescherming) wil zo’n verschijningsplicht nu invoeren voor verdachten van ernstige gewelds- en zedenmisdrijven, als het vermeende slachtoffer gebruikmaakt van zijn of haar spreekrecht.

De wens van een slachtoffer om een verdachte in de ogen te kijken bij de uitoefening van het spreekrecht, is op zich begrijpelijk. Maar met rechtsbescherming van het slachtoffer heeft zo’n ‘kijkrecht’ niets van doen. En met rechtsbescherming van de (ontkennende) verdachte evenmin. De verdachte heeft immers het recht voor onschuldig te worden gehouden totdat zijn schuld volgens de wet, dus door de rechter is bewezen. Deze onschuldpresumptie is vastgelegd in onder meer het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens.

Dit beginsel vereist dat de verdachte wordt beschermd tegen het zwaard van Justitia zolang geen vonnis is geveld. Hij dient behandeld te worden als iemand wiens schuld niet vaststaat. Daarom ook is een verdachte in de rechtszaal nooit geboeid. Onnodige strafmaatregelen zijn in strijd met dit onschuldbeginsel. In de rechtspraak van het Europese hof voor de rechten van de mens is zelfs aangenomen dat alleen al het uiten van verdenkingen (voicing of suspicions) in strijd kan zijn met dit onschuldbeginsel.

Het combineren van het spreekrecht van een slachtoffer met een verplichte verschijning van de verdachte om dit aan te horen is een strafmaatregel die strijdig is met dit onschuldbeginsel. Voor zo’n verplichte aanwezigheid bij de uitoefening van het spreekrecht worden de rechten van de verdachte opgeofferd aan het spreekrecht van het slachtoffer.

Het geheel ademt de sfeer uit van een sterk inquisitoir strafproces. En dat is nu precies een vorm van strafrechtspleging die we sinds de Middeleeuwen tot een minimum pogen te beperken.

De inzet van de minister voor slachtoffers valt te prijzen, maar die mag de rechtsbescherming van verdachten niet beperken.

Een verplichting tot aanwezig zijn bij het spreekrecht is ook, tot slot, een papieren tijger. De verdachte kan immers de uitoefening van het spreekrecht met een afgedwongen aanwezigheid gemakkelijk verstoren door er doorheen te schreeuwen. In dat geval kan de rechter ter voorkoming van verdere ordeverstoringen zijn verwijdering uit de zittingszaal bevelen. Daarmee zijn we terug bij af. Kortom, het plan van minister Dekker oogt slachtoffer-empathisch, maar veroorzaakt meer problemen dan goed is voor een fatsoenlijke strafprocedure.