Muur van Mussert wordt een rijksmonument

Historici hadden bij het ministerie van Cultuur gepleit voor behoud van het NSB-bouwwerk. De eigenaar wilde het bouwwerk slopen.

Foto Piroshka van de Wouw/ANP

De zogenoemde Muur van Mussert krijgt een beschermde status. Minister Ingrid van Engelshoven (Cultuur, D66) heeft de procedure in gang gezet om van het NSB-bouwwerk een rijksmonument te maken.

Met haar besluit beslecht Van Engelshoven een slepende discussie over de toekomst van de Muur. De eigenaar van het terrein waarop het bouwwerk tegenwoordig staat, wilde het slopen om zijn camping uit te breiden. Zo’n dertig prominente historici riepen Van Engelshoven eind vorig jaar op de Muur juist te behouden. “De Muur van Mussert is de herinnering aan een donkere tijd die nadrukkelijk deel uitmaakt van onze geschiedenis”, schreven zij in een brandbrief.

Van Engelshoven, die zich liet adviseren door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, is het met de historici eens:

“We kunnen van deze zwarte bladzijde uit het verleden veel leren. De Muur is een overblijfsel van een tijdperk waarmee aan volgende generaties het verhaal van de oorlogsjaren verteld kan worden. Door de aanwijzing van de Muur als rijksmonument in gang te zetten, behouden we dit monument voor de toekomst en kunnen er scenario’s worden ontwikkeld om dat verhaal te vertellen.”

Partijbijeenkomsten

De Muur maakte onderdeel uit van een in 1936 in Lunteren gebouwd complex waar de nationaalsocialistische NSB zijn partijbijeenkomsten hield. Partijleider Anton Mussert sprak er duizenden aanhangers toe, zoals Adolf Hitler dat deed op de Reichsparteitagsgelände in Neurenberg. Na de oorlog verdwenen de meeste gebouwen van het terrein. Alleen de Muur is overgebleven.

Lees ook deze column van Jutta Chorus: Een monument voor de schuldigen

De kwestie rond de Muur van Mussert was voor de Rijksdienst aanleiding om te onderzoeken hoe de overheid in het vervolg moet omgaan met andere controversiële overblijfselen uit de periode rond de Tweede Wereldoorlog. Het onderzoek is volgens het ministerie aan het einde van dit jaar afgerond.