Foto's Bram Petraeus

‘Mijn opa, mijn vader, mijn oom – allemaal zitten ze in de kaas’

Marktverkopers Deze week is de koudste week sinds jaren. Op de markt in Utrecht en Woerden werken kooplieden stug door.

Om vijf uur ’s ochtends is Liza Schinkel (19) al achter het stuur van haar kar gekropen. Ze had een vol ochtendprogramma: eerst vanuit haar woonplaats Schoonhoven kazen ophalen, vervolgens doorrijden naar de markt in Woerden om daar te beginnen met het opbouwen van de kraam. Vanwege de kou moesten er zaterdag extra maatregelen worden getroffen. „Ik heb vanochtend gekeken waar de wind vandaan kwam en een plastic scherm opgehangen.” Al een paar uur staat de jonge marktkramer nu aan de voet van de Petruskerk. Boven haar wappert de windhaan hard heen en weer, maar op Schinkel krijgt de snijdende wind geen vat.

Op het Vredenburg in Utrecht, een kleine 20 kilometer verderop, is dat wel anders. Tabaks- en krantenverkoper Jack Verdouw staat in de schaduw, een windvlaag slaat de pagina’s van de kranten in zijn kraam ritselend om. Het is doorbijten voor de 56-jarige koopman. De wind slaat tegen de hoogbouw van winkelcentrum Hoog Catharijne aan de overkant, en zó bij hem naar binnen. „Het is mooi weer, droog zonnig”, constateert hij, klinkend als een weerman. „Maar wel met een gure oostenwind.”

Gewend aan de buitenlucht

Als marktkoopman of –vrouw leer je snel genoeg nooit van huis te vertrekken zonder het weerbericht te hebben gelezen. Dit weekeinde werd de koudste week van deze winter in Nederland ingeluid. Lucht afkomstig uit Rusland brengt ijzige kou onze kant op. In Utrecht kwam het kwik afgelopen zaterdag al nauwelijks boven de 3 graden Celsius uit, maar de gevoelstemperatuur lag ver onder het vriespunt.

Toch hoor je de marktkramers niet klagen. Ze zijn allen goedgemutst, dik aangekleed en gewend aan een leven in de buitenlucht. Klanten krijgen een warme glimlach, en met vrijwel iedereen wordt een praatje gemaakt.

Wie de cijfers van de Centrale Vereniging voor Ambulante Handel (CVAH), erbij pakt, ziet dat deze beroepsgroep steeds kleiner wordt. Het aantal marktondernemers is tussen 2007 en 2017 bijna gehalveerd, van ruim 20.000 naar ruim 10.000. Volgens Henk Achterhuis, voorzitter van de CVAH, hebben vooral niet-voedselondernemers het extreem moeilijk door „de Alibaba’s van deze wereld”: de internet- en discountverkopers. „De markttijden, zeker doordeweeks, sluiten bijvoorbeeld niet aan bij de wensen van veel consumenten.” En net als in de hele detailhandel, heeft de „ambulante handel” moeite jonge mensen aan te trekken.

De Portugese Ivo Brandão (38) herkent het beeld. „Ik ben hier als jonge, niet-Nederlandse man echt een beetje een paradijsvogel,” zegt de verkoper lachend van achter zijn kraam met tapas. „Jonge mensen kiezen niet snel voor dit vak, want werken van zes tot zes valt niet mee.” Hij heeft zich tegen de wind en kou gewapend met thermo-ondergoed en een dikke, gewatteerde jas. Werken in deze temperaturen vindt hij „echt geen makkie”. Toch zou hij niet anders willen: na een baan als ingenieur en projectleider in een ziekenhuis in Amsterdam koos hij vier jaar geleden voor een carrière op de markt. Hij wilde een eigen zaak met eten, zijn passie. Het leukst aan de markt vindt Brandão de ruilhandel. Trots laat hij een stapel lp’s zien die hij ruilde voor een paar gedroogde worsten.

Foto’s Bram Petraeus

Vader op zoon, moeder op dochter

Marktkoopman of -vrouw word je niet zomaar, blijkt uit de gesprekken met de verkopers. Het is bij uitstek een vak dat van vader of moeder op zoon of dochter wordt overgedragen. Jack Verdouw staat al sinds zijn tiende met zijn vader op de markt, inmiddels verkoopt hij bijna veertig jaar zelf kranten. Ook de 19-jarige Schinkel gaat sinds ruim anderhalf jaar mee met haar vader. „Mijn opa, mijn vader, mijn oom – allemaal zitten ze in de kaas.” Tamara van Eldik (28) is in Utrecht zelfs de directe concurrent van haar ouders geworden, vertelt ze terwijl ze mandarijnen in kleine plastic zakjes stopt. Dertien jaar lang verkocht ze samen met hen groente en fruit, maar sinds drie jaar heeft ze haar eigen kraam.

Even verderop staat „buitenmens” Necati Umit (54). Van het weerbericht keek hij niet op: „Ik heb ook weleens bij min achttien op de markt gestaan.” Umit verkoopt al dertig jaar antiek en natuurproducten, zoals oliën en crèmes. Handschoenen vindt hij maar onhandig bij het werken met contant geld. „Je lichaam kan wennen aan de kou.”

Ook Verdouw toont zich niet onder de indruk. „‘Weet je nog, die ene koude dag?’ Zo kijken we in de zomer terug op vandaag.” Onder zijn voeten ligt een platte, kartonnen doos, in tegenstelling tot veel van zijn collega’s heeft de marktveteraan geen kachel in zijn kraam. Ook pauze houden is er niet bij in de eenmanszaak. Hij laat een volle broodtrommel zien. „Allemaal op vrijdagavond gesmeerd.”

Of ze er ook zullen staan, wanneer het straks nog kouder wordt, weten de meeste verkopers nog niet zeker. Die beslissing mogen ze in Utrecht zelf nemen: in overleg met de gemeente mag een ondernemer zes weken per jaar afwezig zijn zonder dat hij wordt vervangen.

Voor Brandão is de huidige temperatuur de grens. „Natuurlijk heeft het invloed op mijn omzet als ik niet kom. Het is een afweging die ik maak. Januari en februari zijn de magerste maanden, vanaf Pasen begin ik die schade in te halen.” Verdouw stopt bij sneeuw. „Dan worden mijn kranten nat. En dan is het zo rustig hier, dat het weinig uitmaakt voor mijn verkoop.” Van Eldik en haar groenten zijn er altijd. „Vriendinnen snappen echt niet dat ik hier werk, die doen in september al hun thermobroek aan. Ik ben het liefst iedere dag buiten.” Vier dagen per week doet de verkoper ander werk, in een kantoor. „Dan kijk ik uit naar zaterdag.”

„Nog een maandje, dan heb ik er weer wat meer plezier in,” zegt kaasverkoper Schinkel. Niet dat iemand het aan haar zal merken: iedere voorbijganger kan rekenen op een praatje. „Blijven jullie wel warm? Heeft u die sjaal zelf gebreid?” Ja, de meeste gesprekken gaan vandaag over het weer, zegt Schinkel. „We blijven Nederlanders.”

    • Julia Cornelissen