Opinie

Lessen van de Rijksdagbrand

Als we grondrechten en checks and balances niet beschermen, kunnen democratieën in dictaturen veranderen, schrijft socioloog Matthijs Rooduijn.

Het Rijksdaggebouw brandt op 27 februari 1933. Tegenwoordig huist de Bondsdag er. Foto Wikimedia Commons

Vandaag, 27 februari, is het precies vijfentachtig jaar geleden dat de Nederlandse radencommunist Marinus van der Lubbe het Rijksdaggebouw in Berlijn in brand stak. Wat er die dag precies gebeurde is tot op heden onduidelijk. De meest aannemelijke hypothese is dat Van der Lubbe op eigen houtje handelde, en met het in brand steken van het Duitse parlementsgebouw een communistische revolutie hoopte te ontketenen. Hoewel de brand inderdaad het definitieve einde van de toenmalige Weimarrepubliek inluidde, kwam er echter geen communistische heilstaat. In plaats daarvan werd de kiem gelegd voor de Duitse nazidictatuur.

Adolf Hitler, die een paar weken voor de brand rijkskanselier was geworden, schoof de schuld in de schoenen van de communisten. Volgens hem was het een door de communistische partij (KPD) georkestreerde en „lang tevoren voorbereide” actie. Tegen zijn vicekanselier, Franz von Papen, zou Hitler gezegd hebben: „Als deze brand, zoals ik geloof, het werk is van de communisten, moeten we deze moordenaarsplaag met ijzeren vuist vernietigen.” Dezelfde nacht nog werden vrijwel alle landelijke KPD-politici gearresteerd en werden alle communistische dagbladen en tijdschriften verboden.

De dag na de brand nam het kabinet op initiatief van Hitler de ‘Verordening voor de bescherming van volk en staat’ aan. Met dit decreet werden de belangrijkste grondrechten zoals de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid buiten werking gesteld en werd het voor Hitler mogelijk om zijn politieke tegenstanders te vervolgen en tegenmachten uit te schakelen. In de hierop volgende dagen, weken, maanden en jaren zou duidelijk worden dat Hitler dat ook daadwerkelijk zou doen. Het is daarom niet overdreven om de Rijksdagbrandverordening te bestempelen als de officieuze grondwet van het Derde Rijk.

Twee lessen

De gebeurtenissen van vijfentachtig jaar geleden leren ons twee belangrijke lessen. Ten eerste hoe belangrijk stevig verankerde checks and balances en grondrechten zijn voor een vrije samenleving. Ten tweede hoe gemakkelijk politici deze eerste les vergeten als een beroep wordt gedaan op de ‘veiligheid’, de ‘openbare orde’ en/of ‘vermeende dreigingen van binnen- of buitenaf’. Rijkspresident Paul von Hindenburg had geen enkele bedenking tegen het ondertekenen van Hitlers noodverordening. Hem was aangepraat dat het decreet noodzakelijk was om verdere communistische gewelddaden te voorkomen. Ook bij vicekanselier Papen gingen geen alarmbellen rinkelen. De Rijksdagbrandverordening was volgens hem nodig om de heersende chaos te bedwingen.

Dit zijn belangrijke lessen, nu liberaal-democratische instituties als checks and balances en minderheidsrechten in vrijwel de hele wereld aan erosie onderhevig zijn. Neem Turkije. President Erdogan heeft naar aanleiding van de mislukte staatsgreep in 2016 tienduizenden ambtenaren ontslagen, zijn greep op de rechterlijke macht vergroot, en verschillende kranten en televisiestations verboden. Erdogan stelt dat deze maatregelen noodzakelijk zijn om Turkije te beschermen tegen degenen die volgens hem de coup gepleegd hebben. Het lijkt er echter eerder op dat de Turkse president de staatsgreep misbruikt om zijn politieke tegenstanders uit te schakelen.

In Hongarije steekt premier Viktor Orbán niet onder stoelen of banken dat hij het land wil omsmeden tot een ‘illiberale democratie’. Hij heeft al een begin gemaakt door de media aan banden te leggen en de macht van het constitutionele hof in te perken. In Polen staan de zaken er niet veel beter voor. De leider van de Poolse regeringspartijpartij PiS, Jaroslaw Kaczynski, is een openlijke bewonderaar van Orbán, en heeft ervoor gezorgd dat in korte tijd een omstreden mediawet is ingevoerd en de bevoegdheden van het Grondwettelijk hof beperkt zijn.

Erosie

We moeten voorzichtig zijn met het trekken van parallellen tussen de situatie nu en die ten tijde van de Weimarrepubliek. De politieke omstandigheden waren destijds heel anders. Bovendien acht ik het onwaarschijnlijk dat de politici die in landen als Polen en Hongarije verantwoordelijk zijn voor de erosie van de liberale democratie zich uiteindelijk zullen ontpoppen als brute dictators. Toch moeten we het gevaar niet onderschatten. Of de huidige leiders zélf potentiële dictators zijn of niet doet er eigenlijk niet eens zoveel toe. Het probleem is dat de langzame erosie van tegenmachten en grondrechten in deze landen het voor toekomstige machthebbers met antidemocratische ideeën minder moeilijk maakt om het ingeslagen pad van de liberale democratie – nog niet eens zo lang geleden – definitief vaarwel te zeggen.

Net als vijfentachtig jaar geleden komt het politieke midden, althans in West-Europa, nauwelijks in verzet. Hoewel er redelijk wat kritiek is geweest op Erdogans reactie op de staatsgreep, en de Europese Commissie Polen en Hongarije regelmatig op de vingers tikt, laten de West-Europese middenpartijen nog steeds veel te weinig van zich horen. Eén voorbeeld: Orbáns partij Fidesz is, ondanks al haar antiliberale maatregelen, nog steeds een volwaardig lid van de Europese Volkspartij (EVP) – de grootste fractie in het Europees Parlement waarvan ook het CDA en Merkels CDU lid zijn.

Grondrechten en andere liberaal-democratische principes worden ondergeschikt gemaakt aan wat wel ‘realpolitik’ genoemd wordt. De liberale democratie is misschien wel belangrijk, zo lijkt de redenatie van bijvoorbeeld de EVP, maar het aantal zetels in het Europees Parlement is dat ook! Laten we niet te veel doordrammen over de maatregelen die Orbán genomen heeft. Zo’n vaart met de uitholling van de Hongaarse rechtsstaat zal het vast niet lopen. Laat dat nu precies zijn hoe Papen en Hindenburg er bij de totstandkoming van de Rijksdagbrandverordening ook over dachten.

Weinig principieel

Dat veel West-Europese middenpartijen zich weinig principieel opstellen als het gaat om rechtsstatelijke principes komt ook tot uiting in de dingen die ze juist wél zeggen en doen. Met een beroep op het belang van de openbare orde en de veiligheid lijken zij individuele grondrechten steeds vaker naar het tweede plan te verwijzen. Zo heeft na de aanslagen in Parijs in Frankrijk twee jaar lang de noodtoestand gegolden. Uit onderzoek van Amnesty International blijkt dat de politie in die tijd regelmatig buitensporig geweld heeft gebruikt bij bijvoorbeeld huiszoekingen. Inmiddels is de noodtoestand beëindigd, maar zijn verschillende van de bijzondere bevoegdheden voor politie en justitie in het gewone recht ondergebracht.

De erosie van fundamentele vrijheden in binnen- en buitenland is zeer zorgwekkend. Vijfentachtig jaar na de totstandkoming van de de-facto ‘grondwet’ van het Derde Rijk zouden politici iets minder ‘realpolitik’ moeten bedrijven en iets meer de nadruk moeten leggen op het belang van de fundamentele principes van de rechtsstaat. Er zal niet direct een brute dictatuur gevestigd worden in Europa. Maar we moeten de vrijheid die we hier genieten niet als vanzelfsprekend beschouwen, en er alles aan doen om de kans dat er ooit toch een gewelddadige dictator opstaat zo klein mogelijk te houden.