‘Armen eerst’ staat op een spandoek aan een hek van een basiliek in Rome, waar een dakloze bivakkeert. Op de verkiezingsposters van Lega Nord staat ‘Italianen eerst’.

Foto Tony Gentile/Reuters

‘Politici doen alsof Italië zo uit de euro kan stappen’

Carlo Cottarelli Econoom

Over een week zijn er verkiezingen in Italië. Politieke partijen doen alsof de uitgaven fors omhoog kunnen. Maar econoom Cottarelli vreest dat de druk uit Brussel zal toenemen.

Italië heeft een enorme staatsschuld die als een molensteen om de nek van het land hangt, maar als je de programma’s van de grootste politieke partijen doorrekent, lijkt die niet te bestaan. De regerende Democratische Partij heeft een gat van zeker 38 miljard euro, de populistische Vijfsterrenbeweging ook zoiets (maar met ook nog een veel te optimistische inschatting van de groei). En bij Forza italia van Silvio Berlusconi, die Europa bezweert dat hij politieke en financiële chaos na de verkiezingen van 4 maart zal voorkomen, ontbreken 54 miljard euro.

Begin deze week heeft de Milanese econoom Carlo Cottarelli deze cijfers gepubliceerd. „De berekeningen van de partijen kloppen niet”, zegt hij. „De arme kiezer staat in de supermarkt en heeft geen idee wat hij koopt met zijn stem.” La Repubblica schrijft fel dat er altijd al een vage grens heeft bestaan tussen propaganda en realiteit, maar dat de politieke partijen, álle, nu zichzelf hebben overtroffen met hun beloftes voor een flat tax, terugdraaien van de pensioenhervorming of een basisinkomen. En de invloedrijke bisschoppen, die zich onder paus Franciscus veel meer dan in het verleden buiten de politiek houden, waarschuwen: „Het is immoreel beloftes te doen waarvan men weet dat men die niet kan houden.”

Cottarelli weet waarover hij praat. Hij was van 2013 tot 2014 buitengewoon commissaris voor de Spending Review in een voorgaand kabinet en werkte van 1988 tot 2013 voor het Internationaal Monetair Fonds. Mede op basis van die ervaringen heeft hij begin deze maand een boek gepubliceerd over de zeven hoofdproblemen van de Italiaanse economie. Dat is aangeslagen: zijn naam valt als mogelijke minister van Economie als het na de verkiezingen tot een brede centrumcoalitie zou komen.

Buiten dat prioriteitenlijstje om zijn er drie zaken die Cottarelli in het gesprek wil onderstrepen. Zeker, het gaat iets beter met de Italiaanse economie, maar laat niemand zich illusies maken. „Als het een wielerwedstrijd was, zou het zijn alsof we blij zijn dat we sneller gaan zonder dat we in de gaten hebben dat het parcours naar beneden gaat. In werkelijkheid wordt ook in de afdaling de afstand met de groep groter.” Voor Italië wordt dit jaar met een groei van 1,5 procent gerekend, voor de eurozone als geheel met ruim 2 procent.

Het tweede punt: ook al heeft de Vijfsterrenbeweging wat gas teruggenomen en draait de anti-migratiepartij Lega om de hete brij heen, veel politici doen alsof het een reële optie is om uit de euro te stappen. „De prijs zou enorm hoog zijn”, waarschuwt Cottarelli.

En het derde is het citaat waarmee hij zijn boek begint, van de Amerikaanse aartsbisschop Fulton Sheen: „In deze wereld is één ding erger dan de zonde: ontkennen zondaars te zijn.” De politieke partijen bewijzen lippendienst aan de noodzaak om de overheidsschuld en het begrotingstekort terug te dringen, maar in hun programma’s doen ze net alsof de uitgaven onbekommerd verhoogd kunnen worden.

In uw boek waarschuwt u: ‘We hebben niet veel tijd om de Italiaanse economie te hervormen voordat een internationale shock ons treft.’ Wat vreest u?

„Ik geloof niet dat een geleidelijke verhoging van de rente zal leiden tot een crisis. Waar ik bezorgd over ben, is dat Europa in een recessie komt. Als dat gebeurt terwijl Italië zijn overheidsfinanciën niet voldoende op orde heeft, daalt het bbp, stijgt de verhouding tussen schuld en bbp, en kan het idee groeien dat Italië om zijn problemen op te lossen, uit de euro moet stappen. Op dat moment begint, net als in 2011, de speculatie tegen Italië. En dan stijgt de spread, het renteverschil tussen Italiaanse en Duitse staatsleningen, weer naar 5 procentpunt.”

Sommigen zeggen: geen probleem. Italië heeft wel een schuld van 2.256 miljard euro, 134 procent van het bbp, maar het land heeft de rente altijd op tijd betaald.

„Met de spread op een onhoudbare 5,5 procent zouden we hulp nodig hebben. Maar wie staat er dan aan het hoofd van de Europese Centrale Bank? Volgend jaar komt er een nieuwe president. Dan zal het gaan over het algemene mandaat van de Europese bank, maar de personen tellen. Als er dan een bankpresident is die zegt, ik zou jullie kunnen helpen, maar jullie hebben niets gedaan om orde op zaken te stellen, en ik doe het niet nog een keer, wat dan? Als je in extreme situaties komt, kunnen er dingen gebeuren die niemand wil. Niemand wilde de Eerste Wereldoorlog.”

Binnen Europa lijkt het soms strijd tussen de noordelijke en de zuidelijke landen, waarbij het zuiden meer ruimte vraagt en het noorden vasthoudt aan begrotingsdiscipline. Zit daar beweging in?

„Veel politici zeggen: ja tegen Europa, maar niet dit Europa. Alle partijen willen dat Europa wordt zoals wij, niet dat wij ons aanpassen aan de eisen van Europa. De afgelopen zes jaar is Europa erg genereus geweest tegenover Italië. Het heeft geaccepteerd dat er geen enkele aanpassing is geweest in de overheidsfinanciën. Het primair overschot, wat in 2012 al 2,3 procent van het bbp was, is vorig jaar gedaald naar 1,7 procent en het volgend jaar wordt het 2 procent, terwijl de economie sterker is dan in 2012. Ik geloof dat Europa zo genereus is geweest omdat ze bang zijn dat de verkiezingen worden gewonnen door een anti-Europese coalitie. Als er na de verkiezingen een regering komt die niet anti-Europees is, zal Europa meer druk uitoefenen om de overheidsfinanciën aan te passen.”

Er wordt al gesproken over een correctie van 3 à 4 miljard euro die Brussel zou willen.

„Dat moeten we afwachten. Gelukkig gaat het op een aantal punten beter. We hebben een overschot op de rekeningen met het buitenland. Italië is na Duitsland het tweede industrieland van Europa, en in de concurrentiestrijd met Duitsland is de kloof kleiner geworden. Want daar zijn, net als in Nederland, door loonstijgingen de kosten per eenheid product aan het stijgen. Dat helpt. Maar ten opzichte van Spanje en Portugal hebben we wel competitiviteit verloren.”

U noemt als een van de economische kernproblemen dat Italië moeite heeft met de euro te leven. Wat bedoelt u daar precies mee?

„Wij zijn niet genetisch onverenigbaar met de euro. De crisis die we in 2010-2011 hebben doorgemaakt, is deels veroorzaakt door wat er in Noord-Europa is gebeurd. Het doel was een inflatie van 2 procent, dus de Duitsers hadden de arbeidskosten met 2 procent moeten laten stijgen, maar die zijn vlak gebleven. Maar we kunnen niet ontkennen dat we zelf een grote verantwoordelijkheid hebben. Onze productiekosten zijn tussen 1999 en 2008 erg snel gestegen – zoals trouwens ook in Spanje, Portugal, Griekenland is gebeurd. Het probleem van Italië is dat niet alleen de arbeidsproductiviteit lager is, maar dat we toch loonsverhogingen willen die niet in lijn zijn met die productiviteit.”

Uw lijstje van kernproblemen leest als een apolitiek actieplan voor een nieuw kabinet. Toch wordt hier in de campagne weinig over gesproken. Veel mensen zeggen ook dat ze het vertrouwen in de politiek zijn kwijtgeraakt.

„Je moet je niet laten meeslepen door wantrouwen. Je moet je gedragen als optimist. Als je denkt dat er niets aan te doen is, verandert dit land nooit.”

Verwacht u minister te worden?

Hij glimlacht vaag. „Laten we eerst de verkiezingen maar eens afwachten.”

    • Marc Leijendekker