Geen slaapzak, maar toch liever buiten slapen

Daklozenopvang In de nachtopvang in Rotterdam staan extra bedden klaar voor daklozen. Maar niet iedereen wil de opvang in.

Op pad met het Leger des Heils op zoek naar daklozen in de kou. Robin Utrecht

Een lege fles wijn en een omgevallen pak vruchtensap: pal onder de Rotterdamse kubuswoningen zijn sporen van daklozen te vinden. Het is er beschut. Wat bouwmaterialen, een paar tafels, ingeklemd tussen cafés en het water van de Oude Haven. Onder zo’n tafel, op een matje, lijkt een ongestoorde nachtrust mogelijk.

Maar nu, donderdagavond negen uur, ligt hier nog niemand. Mark Koolmees (35) en Anne Wietske Sonneveld (30) zoeken verder. Ze zijn veldwerkers van het Leger des Heils en bezig aan hun winterronde. Ze speuren naar daklozen om hen te wijzen op de mogelijkheid van nachtopvang. Door de vrieskou zijn er in Rotterdam – net als in andere gemeenten – meer bedden beschikbaar: ruim driehonderd, bijna negentig meer dan normaal. Daklozen krijgen er ook een warme maaltijd en ontbijt.

Vanaf zondag wordt het waarschijnlijk een paar nachten aaneen min zeven of kouder. Toch dolen er nog daklozen door de stad. Mensen met een verslaving, met een psychiatrische aandoening. Elke avond maken veldwerkers daarom een ronde.

In hun busje rijden Koolmees en Sonneveld naar de volgende hotspot. Achterin liggen slaapzakken, mutsen, sjaals en handschoenen. Er is koffie en warme chocolademelk in potten, net gevuld in de grote keuken in het Rotterdamse pand van het Leger des Heils.

Ze stoppen bij een parkeergarage naast de Coolsingel. Stappen de lift in en scannen het trappenhuis door het venster van de liftdeur.

„Ja, daar zit iemand op de trap”, zegt Koolmees. Een man. Bruine ogen, grijze sik en een geelpaars ooglid als een bokser die heeft moeten incasseren. Martin heet hij. En nee, de opvang wil hij niet in, zegt hij met Rotterdamse tongval. „Liever met min twintig buiten dan met plus twintig binnen.”

Veldwerkers zoeken in Rotterdam naar daklozen. Links Martin, rechts Patrick.

Robin Utrecht
Robin Utrecht
Robin Utrecht

„Echt?” vraagt Sonneveld.

Martin: „Ik ga echt niet met zoveel personen op een kamer liggen. De één douwt een naald in z’n arm, de ander ligt de hele nacht te rukken, de ander heb zweetpoten, die kun je tot in België ruiken.”

„Heb je een beetje een warme plek?”

„Nou ja, ik had een plek in een andere parkeergarage, maar vanochtend gooiden ze me eruit.”

„Heb je nog iets warms?”

„Nada nientos nixo. Dit is het enige wat ik heb.” Hij wijst op z’n kleren. Winterjas, muts, sjaaltje, spijkerbroek met eronder een trainingsbroek.

„Wil je een slaapzak?” vraagt ze.

„Graag.”

„En chocomelk?”

„Ah.”

Een andere zwerver voegt zich bij het gezelschap: Patrick. Winterjas aan, muts op, wenkbrauwpiercing boven een oranje baardje. Patrick wil koffie. Hij heeft een pedagogische achtergrond, vertelt hij. Werkte ooit met gehandicapten. Maar hij gebruikt al bijna 25 jaar cocaïne en heroïne. Nu bestaat zijn werk – zo noemt hij het – uit het onderhouden van zijn verslaving. Bedelen, „soms met een lulverhaal”, en daarna meteen scoren. Zes uur na het roken beginnen de ontwenningsverschijnselen en moet hij weer op zoek.

Nachtopvang ziet hij door zijn verslaving nauwelijks als mogelijkheid. Drugs zijn er verboden. Dus na een nacht slapen wordt hij van de ontwenningsverschijnselen ziek wakker. „Je kunt het vergelijken met zware griep. Spieren die overal zeer doen.” In die staat bedelen levert veel minder op. „Mensen voelen het. Ze zien het aan je. Je bent te needy.”

’s Nachts slapen is bovendien een luxe die hij zich als junk niet goed kan veroorloven. „Meestal ga ik een of twee nachten door en dan pleur ik in de dagopvang van de Pauluskerk in slaap.” Hij zorgt dan dat hij drugs bij zich heeft zodat hij eenmaal wakker, ’s middags rond vijven, eerst coke of heroïne kan roken om zich normaal te voelen. „Roken om me lekker te voelen heb ik allang niet meer.”

De kou maakt de opvang verleidelijker, zegt hij. „Ik ben 44 jaar. Vroeger sliep ik overal zonder slaapzak. Nu voel ik de kou in mijn botten.”

Patrick heeft een mobiel bij zich. Als de veldwerkers gedag zeggen, geeft hij zijn nummer. Misschien wil hij vannacht toch kort de opvang in, zegt hij. Maar eerst moet hij scoren.

Robin Utrecht
Robin Utrecht