Waarom worden hanen niet doof van hun eigen gekraai?

Durf te vragen Wekelijks zoekt de redactie wetenschap het antwoord op een veelgestelde vraag. Deze week: hoe kan het dat hanen niet doof worden van hun eigen kukeleku?

Foto’s Istock

Heel idyllisch, die vakantie op het platteland. Overweldigende sterrenhemels, de geur van hooi, weldadige stilte… Tot je om 05.00 uur ’s ochtends wakker wordt van een luid ‘kuuuuuukelekuuuu’ onder je raam. Het gekraai is oorverdovend. Na drie nachten smeek je de boerin of ze die avond geen haantje kan braden.

Wie op internet zoekt naar ‘hanengekraai’ en ‘overlast’ wordt direct doorverwezen naar advocatenwebsites en een aflevering van De Rijdende Rechter: de gemoederen kunnen hoog oplopen.

Hoe hard kunnen hanen eigenlijk kraaien? En lopen ze daar zelf geen gehoorschade door op?

Bioloog Raf Claes van de universiteit van Antwerpen onderzocht met collega’s hoeveel decibel hanen produceren. Hun bevindingen publiceerden ze eind december in Zoology.

Kukeleku vergelijkbaar met geluid van opstijgende straaljager

Allereerst hingen de biologen drie hanen een halsband met microfoontje om, en lieten elke haan tienmaal kraaien. Vervolgens noteerden ze per ras het gemiddelde en het maximale aantal decibel. Het geluidsniveau vlak bij de hanenoren kon oplopen tot 142,3 dB, vergelijkbaar met dat van een opstijgende straaljager. Ook het gemiddelde lag boven de 120 dB. Een dergelijk geluidsniveau kan er al voor zorgen dat haarcellen in het binnenoor afsterven, met doofheid tot gevolg.

Uit Amerikaans onderzoek bleek al in 1987 dat haarcellen van hanen en hennen weer aangroeien als ze afsterven. Maar Claes en collega’s ontdekten dat hanen hun eigen gehoor al preventief beschermen: zodra ze hun snavel opentrekken, sluiten hun gehoorgangen zich vanzelf af. „Deels dempen ze het geluid met een spier in hun middenoor. Dat zorgt voor een afname van zo’n 15 dB”, vertelt Claes aan de telefoon. „Daarnaast kunnen ze het nog verder dempen dankzij zacht weefsel dat de trommelvliezen bedekt: een soort natuurlijke oordoppen.”

De Belgische biologen ontdekten het beschermende mechanisme door hanen- en hennenkoppen met geopende en gesloten snavel in een micro-CT-scanner te bestuderen. „Daarvoor gebruikten we afgehakte koppen die we hadden gekregen uit het slachtafval van landbouwbedrijven. Het was te bewerkelijk om levende dieren in de scanner te plaatsen.”

Bij hennen vindt alleen een vernauwing van de gehoorgang plaats zodra ze hun snavel openen, dus geen volledige afsluiting. „Ze hebben dat ook niet nodig omdat ze zelf veel minder geluid produceren en omdat het hanenlawaai op een halve meter afstand al veel minder luid klinkt dan vlak naast de hanenkop: zo’n 100 decibel, vergelijkbaar met het geluidsvolume van een kettingzaag.” Nog steeds een flink lawaai. „Maar naast het aantal decibel speelt ook de duur van de geluidsproductie mee”, zegt Claes. „Een haan kraait vaak zo’n drie of vier seconden. Als hij dat minutenlang zou volhouden, dan zou het ook voor kippen op een halve meter afstand schadelijk worden.”

En hoe zit het bij mensen? Ondervinden operazangers bijvoorbeeld geen hinder van hun eigen volume? Akoesticus Remy Wenmaekers van de Technische Universiteit Eindhoven: „Er is niet zo veel onderzoek gedaan naar geluidniveaus bij zangers. In een Amerikaans artikel uit 2008 lijkt het erop dat zangers zo’n 88 dB produceren, vergelijkbaar met het geluidsniveau van orkestinstrumenten.” Een Fins artikel uit 2003 komt op 85 tot maximaal 115 dB uit bij koorzangers. Onbekend is of het een amateurkoor of een professioneel koor betrof: professionele tenors zingen 10 tot 12 dB harder dan hun ongetrainde collega’s.

    • Gemma Venhuizen