Column

Waarom het een harde Brexit wordt

Het debat over het Britse vertrek uit de EU gaat een nieuwe fase in, waarin het voor Nederland lastiger wordt onze belangen te verdedigen. Op bezoek bij premier May in Londen herinnerde premier Rutte eraan hoeveel Nederland economisch heeft te verliezen: het VK is onze tweede exportbestemming na Duitsland, in 2015 goed voor 21 miljard euro winst aan goederen- en dienstenexport, waarmee ruim 200.000 voltijds banen samenhangen. Omdat Londen de Europese interne markt en douane-unie wil verlaten, wordt al deze handel duurder en ingewikkelder. De klap van zo’n ‘harde Brexit’ komt bij ons relatief hard aan. Terecht bereidt Den Haag zich op het ergste voor. Tegelijk zei minister van Financiën Wopke Hoekstra tegen de Financial Times dat Nederland een „zo soft mogelijke” Brexit wil.

Heel begrijpelijk. Maar zo gaat het vast niet aflopen. De meeste andere landen willen het hard spelen – Duitsland voorop. Ze bekijken niet enkel de economische kosten van het harde verlies van toegang tot de Britse markt, maar ook de politieke kosten van het zachte alternatief. Je schept een quasi-lidmaatschap van ‘lusten zonder lasten’; dat ontwricht de samenhang van de club. Het Duitse bedrijfsleven redeneert: spijtig dat we vanaf 2021 minder auto’s aan de Britten verkopen, maar als de EU instort zijn we slechter af.

Op 16 november 2017 sprak de Britse Brexit-minister David Davis in Berlijn voor een gehoor van zakenlui – onderdeel van een Londense charmeoffensief voor betere scheidingsvoorwaarden. De Brit waarschuwde Duitsland en andere lidstaten voor schade aan de eigen economie, en ried hun aan „niet de politiek boven je welvaart” te plaatsen. Aan de Amsterdamse Zuidas, in de Rotterdamse haven of op de Haagse vierkante kilometer zou die tekst op instemmend geknik hebben kunnen rekenen. In Berlijn liep het anders: Davis’ gehoor begroette zijn woorden met ongeloof en gelach.

Duitse zakenlui zien het Brexit-referendum als een onverantwoordelijke politieke daad, een geval van economisch harakiri. Hoe kan uitgerekend een leidende Brexiteer hun vertellen niet ‘politiek boven welvaart’ te plaatsen? Davis gebruikte het soort pragmatisch win-win-argument waarop de Europese integratie drijft, en beseft kennelijk nog niet hoezeer het Britse vertrek in Berlijn als existentiële aanval is ervaren. Kortom: politiek boven welvaart, aan beide zijden.

Maar er is nog een reden dat de dynamiek richting harde Brexit gaat. In de onderhandelingen is dat voor de ‘EU-27’ het makkelijkst. Een harde lijn houdt het front jegens Londen gesloten. Zodra je gaat onderhandelen met Londen, in een spel van geven en nemen, nemen onderlinge spanningen tussen lidstaten toe; ieder zal dan eigen wensen, eigen sectoren willen bevoordelen. De ideologische ramkoers is tegelijk de weg van de minste weerstand. Dat maakt het vinden van steun voor een ‘softe Brexit’ een hele toer.

Het is niet alles treurnis voor Nederland. Mogelijk komt het hoofdkantoor van het Brits-Nederlandse bedrijf Unilever, nu ook in Londen, naar Rotterdam. Rutte, oud-personeelsman van de pindakaasfabriek, zal er bij May allicht een woordje aan hebben gewijd. Daarmee haalt Nederland, na het Europese Medicijnenagentschap voor Amsterdam eind vorig jaar, een tweede prijs uit de Brexit-boedel binnen. Het kan de pijn verzachten.

De hoogste economische prijs voor hun vertrek betalen de Britten zelf. Het Brexit-verhaaltje dat je én grotere zeggenschap over eigen wetten én meer welvaart kunt krijgen is – in de economie van vandaag – een leugen. Je moet kiezen als land. Onrechtvaardig voor Brexit-stemmers die geloofden dat het én-én kon zijn. Maar ergens ook wel goed. Een grote, ‘once in a generation’ democratische beslissing, moet grote gevolgen hebben.

Luuk van Middelaar is politiek filosoof en hoogleraar Europees recht en EU-studies (Leiden, Louvain-la-Neuve).